Vlekjes

Vlekje ontmoet kleinzoon

IMG-20200829-WA0000

Mijn kleinzoon van anderhalf is op bezoek. Hij loopt het huis in, ziet Vlekje, en roept “Poes!”. Hij loopt naar Vlekje toe, en die blijft gewoon zitten. Kleinzoon steekt zijn handje uit, en Vlekje snuffelt eraan. Dan aait hij Vlekje, die nog steeds gewoon blijft zitten. Verbazingwekkend.

Even later, na het uitdelen van poezesnoepjes, klinkt vanaf de bank ineens een schreeuw en gehuil. Vlekje heeft de kleinzoon duidelijk gemaakt dat er grenzen zijn. En terecht. Geen bloed, niemand gewond, alleen een poes en een jongetje hevig geschrokken. Even later krijgt Vlekje weer een poezesnoepje op de bank.

“Poes!”

 

Blog

Mijn moeder had een wiskunde-knobbel

Mijn moeder was niet dom. Ze was wel wat men toen noemde “een streber” en ze bemoeide zich met van alles. Als we als gezin verhuisden, zat ze altijd binnen een maand in het bestuur van de tennisclub. Geboren in 1928 beleefde ze haar tiener-jaren in de oorlog, in Epe. Na de lagere school ging ze naar het gymnasium (dat hoorde zo in de familie) en omdat haar oudere broer Hein ook op het gymnasium zat was dat handig met de boeken. Hein deed Gymnasium Bèta, dus mijn moeder ging dat ook doen, dat scheelde in de kosten van de boeken. Mijn oma was alleenstaande moeder, mijn opa was in 1928 overleden aan difterie, een half jaar voordat mijn moeder was geboren. Mijn oma kreeg een weduwenpensioentje en werd goed ondersteund door met name haar schoonfamilie, maar rijk was oma dus niet. Het delen van schoolboeken lag voor de hand.

Op het gymnasium in Apeldoorn was een wiskundeleraar die vond dat meisjes geen wiskunde kunnen. Hij slaagde erin om mijn moeder daarvan te overtuigen, ze zei regelmatig “ik weet niets van wiskunde”. Toch slaagde ze erin de vijfde klas te bereiken, ondanks die wiskundeleraar, maar toen ze die klas voor de tweede keer had gedaan en toen weer bleef zitten (op wiskunde), stopte ze met het gymnasium. En ging dus ook geen vervolgopleiding doen, ze ging op kantoor werken.

Ik heb wel een wiskunde-talent. Dat uit zich bijvoorbeeld in het uitstekende ruimtelijk inzicht dat ik heb. Ik had altijd tienen voor stereometrie op het gymnasium. Ook voor de andere wiskundevakken trouwens. Ik merkte dat ruimtelijk inzicht een praktisch nut heeft in het huishouden. Als ik voor de kinderen chocolademelk maakte (cacao, suiker, hete melk) dan zette ik drie bekers op het aanrecht, of twee, of vier, afhankelijk van wie er thuis waren, dan goot ik uit de losse pols melk uit het pak in het pannetje, en als de melk kookte en ik ze uitgoot in de bekers, paste het altijd precies. Nooit teveel, nooit te kort. Of ik nou grote bekers had gepakt, of kleinere. Blijkbaar zie ik onbewust met een “wiskunde-oog” hoe hoog de melk in het pannetje moet staan om de bekers precies te vullen.

Ik vertelde dat aan mijn moeder. “Oh, zei ze, dat heb ik met thee. Ik doe water uit de kraan in de ketel, en als het kookt in de theepot, en ik heb altijd precies genoeg thee voor zoveel kopjes als er nodig zijn”. Ze vroeg ook altijd “wie wil er thee?” en “wil je één of twee kopjes?” Toen ik dat later aan mijn vader vertelde zei hij “als ik met je moeder een huis bekijk, bij vrienden of zo, dan weet ze altijd precies hoe het huis in elkaar zit, dan weet ze of ze in de slaapkamer dan boven de keuken is of boven de huiskamer. Ik moet daar altijd diep bij nadenken”.

Ik concludeer daaruit dat mijn moeder een talent had voor ruimtelijk inzicht, en dus voor wiskunde. In haar tijd moet ze een hoog IQ hebben gehad, want toen waren IQ tests vooral gebaseerd op ruimtelijk inzicht.

Mijn moeder had een wiskunde talent. Ik neem de wiskundeleraar op het Gymnasium van Apeldoorn tot op de dag van vandaag kwalijk dat hij met zijn achterlijke vrouwvijandige stomme idee dat meisjes geen wiskunde kunnen, mijn moeder heeft verhinderd het gymnasium af te maken en een mooie studie te doen.

Blog

Als een vrouw trouwt…

Toen mijn moeder trouwde met mijn vader, verloor ze haar juridische zelfstandigheid. Als ze een officieel document wilde tekenen, moest mijn vader dat voor haar doen. Door haar huwelijk raakte ze dus ondergeschikt aan mijn vader, dat was bij wet geregeld.

Ze verloor ook automatisch haar baan. Ze werkte in Zwolle ergens op kantoor, maar per de huwelijksdatum kreeg ze ontslag, daar was weinig aan te doen. Ze heeft daarna nooit meer gewerkt, want dat deed je niet als je trouwde.

Mijn moeder verloor ook haar identiteit. Ze kreeg de achternaam van mijn vader, alles wat ze kon doen is haar eigen achternaam (“haar meisjesnaam”) erachter zetten, wat ze dan ook consequent deed. Ze was geen feministe, maar ik weet zeker dat ze liever haar eigen achternaam had gehouden.

Ik postte daarnet op twitter de vraag “Waarom zijn er nog steeds vrouwen die de naam van hun man aannemen? Het is 2020”. Ik krijg likes, maar ook veel antwoorden in de trant van “het is toch ieders vrije keus?”. Dat laatste is waar, maar met zo’n antwoord heb je de vraag niet begrepen. Mijn vraag was “waarom blijven vrouwen massaal de naam van hun man aannemen ook als je de vrije keuze hebt?”

Ik heb nog niet het antwoord gezien “omdat we nog massaal in de mind set zitten dat vrouwen bij hun huwelijk ondergeschikt raken aan hun man en dus zijn naam aannemen”. Ik vind het jammer dat zoveel vrouwen zo gemakkelijk een deel van hun identiteit prijsgeven door een deel van de identiteit van hun man aan te nemen. De emancipatie is nog lang niet af.