Blog

Corona-doden of privacy

Toen er voor het eerst sprake was van een corona app, in het weekend van de “appathon”, schreef ik wat stukjes hoe je volgens mij een goede corona-app maakt. Sindsdien zijn er meer dan duizend doden gevallen en is er nog geen corona-app die op grote schaal besmettingen voorkomt. Ik vind dat jammer.

Je kunt een app maken die effectief detecteert wie in de loop van een week bij jou in de buurt is, dicht genoeg en lang genoeg om je te besmetten. Dus als een persoon van de GGD te horen krijgt dat hij of zij besmet is, kan zo’n app binnen vijf minuten alle mogelijk besmette contacten een bericht sturen “je bent mogelijk besmet” en automatisch een afspraak plannen voor een test. Je krijgt dan een berichtje “je wordt vanmiddag om 3 uur bij de GGD verwacht voor een corona-test”. Dan hoeft de GGD geen bron- en contactenonderzoek meer te doen want mensen worden getest voordat dat onderzoek gestart is.

Maar zo is het niet gegaan. Onder invloed van “privacy experts” is de app die er is gemaakt een dermate slap aftreksel van wat zou kunnen dat die app geen bijdrage gaat leveren aan het bestrijden van corona. En omdat de GGD en de laboratoria nu onvoldoende capaciteit hebben om te testen en contact-onderzoek te doen, ligt effectieve bestrijding van corona een beetje stil. Ik vind dat jammer.

Privacy expert zeggen “met een app weet de overheid waar je bent”. Dat weet de overheid toch wel. “Met een app weet de overheid of je besmet bent met corona”. Is dat erg? Is het juist niet goed als de overheid onmiddellijk weet wie besmet is met corona?

“Met zo’n app gaan winkeliers en caféhouders mensen weigeren die besmet zijn met corona”. Ehm, is dat juist niet prima? Wie corona heeft moet thuisblijven en niemand ontmoeten, dat is de essentie van het bestrijden van de pandemie. En dat geldt dan niet alleen voor daadwerkelijk besmette mensen, maar ook mensen die “mogelijk besmet” zijn. Die moeten zich dan afzonderen totdat ze zijn getest. De privacy experts vinden dat dat een eigen keuze is van mensen, dat iedereen het recht heeft om ook als je mogelijk besmet bent, gewoon rond te lopen en anderen te besmetten. Men vind privacy belangrijker dan het voorkomen van ernstig zieken en doden.

“Ik vind mijn privacy erg belangrijk”. ‘Tuurlijk. Vandaar dat je facebook op je telefoon hebt zodat een tech bedrijf, en overheden en bedrijven wereldwijd, je in detail de hele dag kunnen volgen. Je hebt Google Maps op je telefoon, zodat tech bedrijven weten naar welke supermarkt je gaat. Je gebruikt Whatsapp, zodat Facebook en de Amerikaanse overheid precies weten met wie je wanneer hoe lang contact hebt. Je gebruikt Tiktok, zodat Chinese tech bedrijven en dus de Chinese overheid nog meer van je weten dan westerse overheden en tech bedrijven. Belangrijk hoor, die privacy.

En je hoeft niet eens zelf apps te installeren om je privacy te laten schenden. Ik heb geen Whatsapp, maar Whatsapp weet wel wie mijn telefoonnummer hebben, ze kennen dus al mijn vrienden en kennissen en familie. Als mijn vrienden mij via Whatsapp een SMS sturen, dan weet het hoofdkantoor van Facebook dat ook. Hetzelfde geldt voor alle andere apps die toegang hebben tot je adresboek. Mooi hoor, dat ik geen Whatsapp of LinkedIn-app heb om mijn privacy te beschermen.

Ondertussen klaagt iedereen over de economie die slecht gaat, de werklozen door corona, de horeca die ten onder gaat, bars die niet open mogen en evenementen die niet door mogen gaan terwijl het aantal corona besmettingen inmiddels weer oploopt. De GGD loopt vast met bron- en contactonderzoeken, de testcapaciteit blijkt zwaar onvoldoende, het bestrijden van corona loopt achter de feiten aan, maar een app die echt werkt, nee, dat willen we niet. Dan liever corona.

Blog

Mijn moeder had een wiskunde-knobbel

Mijn moeder was niet dom. Ze was wel wat men toen noemde “een streber” en ze bemoeide zich met van alles. Als we als gezin verhuisden, zat ze altijd binnen een maand in het bestuur van de tennisclub. Geboren in 1928 beleefde ze haar tiener-jaren in de oorlog, in Epe. Na de lagere school ging ze naar het gymnasium (dat hoorde zo in de familie) en omdat haar oudere broer Hein ook op het gymnasium zat was dat handig met de boeken. Hein deed Gymnasium Bèta, dus mijn moeder ging dat ook doen, dat scheelde in de kosten van de boeken. Mijn oma was alleenstaande moeder, mijn opa was in 1928 overleden aan difterie, een half jaar voordat mijn moeder was geboren. Mijn oma kreeg een weduwenpensioentje en werd goed ondersteund door met name haar schoonfamilie, maar rijk was oma dus niet. Het delen van schoolboeken lag voor de hand.

Op het gymnasium in Apeldoorn was een wiskundeleraar die vond dat meisjes geen wiskunde kunnen. Hij slaagde erin om mijn moeder daarvan te overtuigen, ze zei regelmatig “ik weet niets van wiskunde”. Toch slaagde ze erin de vijfde klas te bereiken, ondanks die wiskundeleraar, maar toen ze die klas voor de tweede keer had gedaan en toen weer bleef zitten (op wiskunde), stopte ze met het gymnasium. En ging dus ook geen vervolgopleiding doen, ze ging op kantoor werken.

Ik heb wel een wiskunde-talent. Dat uit zich bijvoorbeeld in het uitstekende ruimtelijk inzicht dat ik heb. Ik had altijd tienen voor stereometrie op het gymnasium. Ook voor de andere wiskundevakken trouwens. Ik merkte dat ruimtelijk inzicht een praktisch nut heeft in het huishouden. Als ik voor de kinderen chocolademelk maakte (cacao, suiker, hete melk) dan zette ik drie bekers op het aanrecht, of twee, of vier, afhankelijk van wie er thuis waren, dan goot ik uit de losse pols melk uit het pak in het pannetje, en als de melk kookte en ik ze uitgoot in de bekers, paste het altijd precies. Nooit teveel, nooit te kort. Of ik nou grote bekers had gepakt, of kleinere. Blijkbaar zie ik onbewust met een “wiskunde-oog” hoe hoog de melk in het pannetje moet staan om de bekers precies te vullen.

Ik vertelde dat aan mijn moeder. “Oh, zei ze, dat heb ik met thee. Ik doe water uit de kraan in de ketel, en als het kookt in de theepot, en ik heb altijd precies genoeg thee voor zoveel kopjes als er nodig zijn”. Ze vroeg ook altijd “wie wil er thee?” en “wil je één of twee kopjes?” Toen ik dat later aan mijn vader vertelde zei hij “als ik met je moeder een huis bekijk, bij vrienden of zo, dan weet ze altijd precies hoe het huis in elkaar zit, dan weet ze of ze in de slaapkamer dan boven de keuken is of boven de huiskamer. Ik moet daar altijd diep bij nadenken”.

Ik concludeer daaruit dat mijn moeder een talent had voor ruimtelijk inzicht, en dus voor wiskunde. In haar tijd moet ze een hoog IQ hebben gehad, want toen waren IQ tests vooral gebaseerd op ruimtelijk inzicht.

Mijn moeder had een wiskunde talent. Ik neem de wiskundeleraar op het Gymnasium van Apeldoorn tot op de dag van vandaag kwalijk dat hij met zijn achterlijke vrouwvijandige stomme idee dat meisjes geen wiskunde kunnen, mijn moeder heeft verhinderd het gymnasium af te maken en een mooie studie te doen.

Blog

Als een vrouw trouwt…

Toen mijn moeder trouwde met mijn vader, verloor ze haar juridische zelfstandigheid. Als ze een officieel document wilde tekenen, moest mijn vader dat voor haar doen. Door haar huwelijk raakte ze dus ondergeschikt aan mijn vader, dat was bij wet geregeld.

Ze verloor ook automatisch haar baan. Ze werkte in Zwolle ergens op kantoor, maar per de huwelijksdatum kreeg ze ontslag, daar was weinig aan te doen. Ze heeft daarna nooit meer gewerkt, want dat deed je niet als je trouwde.

Mijn moeder verloor ook haar identiteit. Ze kreeg de achternaam van mijn vader, alles wat ze kon doen is haar eigen achternaam (“haar meisjesnaam”) erachter zetten, wat ze dan ook consequent deed. Ze was geen feministe, maar ik weet zeker dat ze liever haar eigen achternaam had gehouden.

Ik postte daarnet op twitter de vraag “Waarom zijn er nog steeds vrouwen die de naam van hun man aannemen? Het is 2020”. Ik krijg likes, maar ook veel antwoorden in de trant van “het is toch ieders vrije keus?”. Dat laatste is waar, maar met zo’n antwoord heb je de vraag niet begrepen. Mijn vraag was “waarom blijven vrouwen massaal de naam van hun man aannemen ook als je de vrije keuze hebt?”

Ik heb nog niet het antwoord gezien “omdat we nog massaal in de mind set zitten dat vrouwen bij hun huwelijk ondergeschikt raken aan hun man en dus zijn naam aannemen”. Ik vind het jammer dat zoveel vrouwen zo gemakkelijk een deel van hun identiteit prijsgeven door een deel van de identiteit van hun man aan te nemen. De emancipatie is nog lang niet af.

Blog

Virusload: het maakt uit met hoeveel virusdeeltjes je besmet raakt.

Ik had een blogje geschreven met als titel “het maakt uit met hoeveel virusdeeltjes je besmet raakt“. Ik vroeg me af of dat voor coronavirus ook geldt. Nu blijkt dat dat zo is: met hoe meer virusdeeltjes je besmet raakt, hoe groter de kans dat je ziek wordt, en hoe zieker je wordt, staat in de NRC.

Aerosolen kunnen mensen besmetten, hebben onderzoekers van LUMC uitgevonden.

Maar de grote vraag blijft dan: zijn het er genoeg om mensen ziek te maken? „Dat weten we allemaal nog niet”, reageert Mariet Feltkamp, medisch viroloog aan het LUMC. „We weten sowieso nog onvoldoende hoe mensen precies besmet raken met dit coronavirus. Hoeveel deeltjes er nodig zijn, en wáár die moeten terechtkomen: in je neus, of diep in je longen. Waarschijnlijk verschilt het ook nog eens van persoon tot persoon.”

In theorie is één virusdeeltje genoeg om iemand ziek te maken: dat virusdeeltje kan zich razendsnel vermenigvuldigen en weer andere cellen besmetten. Maar in de praktijk is dat heel onwaarschijnlijk, zegt Feltkamp. „Naarmate je met minder virusdeeltjes begint, duurt dat proces van vermenigvuldiging en verdere infectie langer”

Als de virusload, het aantal deeltjes dat je bij een besmetting binnenkrijgt, bepalend is voor de kans dat je besmet raakt of voor hoe ziek je wordt, dan moeten de maatregelen die de overheid neemt daarmee rekening houden. Maatregelen die voorkomen dat je met een heel kleine load besmet raakt zijn minder relevant dan maatregelen die met name voorkomen dat je een grote virusload opdoet.

Blog

Jongensdingen, meisjesdingen

Eén op de 20.000 mensen is transseksueel (“genderdysfoor”), volgens het CBS. Dat wil zeggen, dat ze op enig moment van geslacht veranderen. De kans dat je kind transseksueel is, is dus zeer klein. Je hoeft er geen rekening mee te houden. Ook niet als je peuterzoontje alleen met poppen speelt, of je kleuterdochter alleen met auto’s of lego. Waarom zijn er dan toch mensen die denken dat een jongetje dat met poppen speelt, transgender zou zijn?

In onze samenleving staat “met poppen spelen” voor “meisjesachtig”. In bomen klauteren, met autootjes spelen, dat is “jongensachtig”. En daar zit de kneep. Een jongetje dat uitsluitend met poppen speelt, is een jongetje dat het leuk vind met poppen te spelen, niet meer dan dat. De reden dat ouders denken dat zo’n jongetje misschien wel transgender is, en met hem naar een genderkliniek gaan, is het vooroordeel van de ouders zelf dat poppen meisjesachtig zijn. Jongens kunnen met poppen spelen, ik denk dat ze dan later heel goede vaders worden. Op dezelfde manier is een meisje dat in bomen klautert gewoon een meisje dat in bomen klautert. Later wordt ze misschien civiel ingenieur, of piloot, of balletdanseres. Wat je niet moet doen is zo’n meisje vertellen “in bomen klauteren is voor jongens, dus gaan we volgende week naar een dokter die gaat kijken of jij niet een jongetje moet zijn”.

Een interessante vraag is: waarom zouden de media zoveel aandacht moeten besteden aan die één op de 20.000 mensen die van geslacht veranderen? Ik denk dat het een overtrokken en overdreven reactie is op “acceptatie” van transseksuele mensen. We moeten immers “inclusief” zijn. Nadeel is dat door zo’n hype ineens iedereen denkt dat genderdysforie normaal is. Dat is het niet. Het is een uitzondering waar je geen rekening mee hoeft te houden.

Wat ik een probleem vind is dat “transgender” veel breder is dan genderdysforie alleen. Allerlei mensen noemen zich transgender als ze zich niet een standaard vrouw of man voelen. Dat heeft erg weinig te maken met genderdysforie, ik denk zelfs dat het er niets mee te maken heeft. Al deze mensen willen helemaal niet hun geslacht veranderen, ze willen zich alleen anders kleden, er anders uitzien.  Het aantal van deze mensen is wel veel groter dan die 1 op de 20.000 en daarom lijkt het, als je alles over één kam scheert, dat een flink deel van de kinderen naar een genderkliniek zou moeten. Dat moeten ze niet.

Jouw kind heeft geen genderdysforie, ook niet als hij of zij met het “verkeerde” speelgoed speelt of de “verkeerde” kleren leuk vindt, ook niet als het als jongetje alleen met meisjes speelt of omgekeerd. Als je kind echt genderdysfoor is, dan maakt het je dat echt wel duidelijk. Bovendien, zolang je kind geen 14 of 16 is doe je weinig schade met niets doen en het gewoon haar/zijn gang te laten gaan. Als je met je kind onnodig naar een gender-arts gaat, kun je wel veel schade doen.

Jouw kind heeft geen genderdysforie, tenzij het jou uit helemaal eigen beweging anders vertelt.