Taalblog

May or might?

Wired tweeted this today:

Screenshot from 2020-06-18 12-42-11

I would have written it like “… with stuff you may already have at home”. “Might” is used in a sentence to express what is “hypothetical, counterfactual or remotely possible”, as I found on this site. If you say “it’s not that hard”, then I don’t assume that it is remotely possible or even hypothetical that I already have the stuff at home. Rather, I would assume that it is possible or factual that I have the stuff at home. Which means, “I may have the stuff at home”. I am surprised that an editor of Wired should make such a mistake.

Last week I read the documentation of the Dutch Corona app on github. It says

Screenshot from 2020-06-18 12-49-48

If you say that validation and tests may lead to changes of the documentation, you refer to a highly probable possibility that you will change the documentation because it is very rare that validation and tests do not lead to changes in the application and in the documentation. When you say “we might add or remove features” you say “it’s almost certain we won’t”. When you say “we may add or remove features” you mean to say “there is an actual possibility we will”.

Today, people use “might” a lot more than “may” when expressing an intent. This means that where we used to have two different ways of expressing an intent, we now only have one. We lost the option of indicating whether our intention (the thing we may/might do) is a real possibility or just a hypothetical one. The reader or the listener will have to infer this from the rest of our sentence or even from following sentences. This makes listening and reading a tad more difficult. Also, removing options from our language makes it less expressive and poorer. Neanderthals had a much less expressive language than we have, so in a way, removing an option or a word from our language brings us one step closer to being Neanderthals.

 

References

Writingexplained.org

 

Taalblog

Meer “die” vs “ie”

 

Ik las daarnet deze column van Erdal Balci in de Volkskrant. De eindredacteur had niet mijn vorige taalblog gelezen want ik lees deze zin: “Voor de duidelijkheid; ik kan het de oermens niet kwalijk nemen dat die zich terugtrok in stammen”. Taalkundig gezien moet dat zijn “dat hij zich terugtrok”.

Daarna lees ik “zo stond die sterker tegen indringers en was het risico op honger lijden kleiner”. “Die” slaat terug op de voorgaande entiteit in de zin, dat zou hier “stammen” zijn, maar dat is meervoud en “stond” is enkelvoud, dus slaat het terug op “die”, wat dan weer terugslaat op “de oermens”. Schrijf dat dan ook, of schrijf weer “hij”. Dan is de zin beter leesbaar en raak je als lezer niet in verwarring:

“Voor de duidelijkheid; ik kan het de oermens niet kwalijk nemen dat hij zich terugtrok in stammen. Zo stond hij sterker tegenover indringers en was het risico op honger lijden kleiner”.

In de tijd van “de oermens” was sexisme of discriminatie geen punt, “zij” telde niet mee. Als je deze twee zinnen zou opschrijven in een column, niet over de oermens maar over de hedendaagse stadsmens, dan wordt dat nog een hele klus. Dan betreden we ook het terrein van Caroline Criado Perez: “de mens” dat zijn we allemaal, maar de term “de mens” vraagt om “hij” in het vervolg van de zin en dan is 51% van de mensen ineens buitengesloten.

 

Taalblog

Doet ‘ie het?

Als de monteur er is om de wasmachine te repareren, en de monteur komt de kamer binnenlopen met vuile handen, dan vraag je “doet hij het?”. “Hij” is dan de wasmachine. Maar “doet hij het” is lastig uitspreken, dus in spreektaal is het “doet ‘ie het?”. “ie” als afkorting van “hij” omdat “ie” beter is uit te spreken.

Mensen, met name jongeren, weten steeds minder van taal. De kwaliteit van taalonderwijs (en rekenonderwijs) is door decennialang onderwijsvernieuwen tot bijna nul gezakt. Mensen zeggen “doet ‘ie het?” en komen dan een keer in de situatie dat ze het moeten opschrijven. Omdat “ie” geen woord is in het Nederlands, nemen ze het woord dat er het meest op lijkt, “die”. Ze zeggen “doet ‘ie het” en schrijven dat op als “doet die het?” Wat dan weer net zo lastig is uit te spreken als “doet hij het”. En fout, want “die” is niet hetzelfde als “hij”, ook niet als je “hij” uitspreekt als “ie”. Taalkundig slaat “doet die het?” echt helemaal nergens op.

Vandaar dat ik blij verrast was dat rechtbankverslaggevere Saskia Belleman vandaag in een tweet schreef “En ook in Osdorp zit ie niet ondergronds.”

Taalblog

Taalverarming

Harriet Duurvoort tweette gisteravond “Gisteren hief ik mijn account op”. Als oplettende lezeres verwacht je dan een vervolg als “maar toen crashte Twitter en kon ik het niet opheffen” of “maar terwijl ik daarmee bezig was, bedacht ik me”. Maar nee, ze heeft het opgeheven. Even was ik in de war, toen ik in gedachten de tweet vertaalde naar “Gisteren heb ik mijn account opgeheven” begreep ik wat ze bedoelde.

In dezelfde tweet zegt ze “dit is één van de redenen dat ik demonstreerde”. Weer ben ik op het verkeerde been gezet: ze bedoelt “dit is één van de redenen dat ik gedemonstreerd heb”.

Onze taal is rijk. We hebben heel veel mogelijkheden om dingen te zeggen, en hoe meer we kunnen zeggen, hoe beter we communiceren. Een rijke taal onderscheidt ons van chimpansees en Neanderthalers. Daarom vind ik het erg jammer dat gaandeweg onze taal verarmt. Waar we 50 jaar geleden de voltooid tegenwoordige tijd en de onvoltooid verleden tijd hadden om op subtiel verschillende wijze iets te zeggen over wat we hadden meegemaakt, hebben we nu nog maar één manier: de onvoltooid verleden tijd. Als de schrijver schrijft “ik schreef een boek” kunnen we niet anticiperen op “maar ik kreeg een schrijversblokkade” of “en het ligt nu in de winkel”. Onze hersenen moeten even on hold en kunnen zich niet voorbereiden op het vervolg van de zin. Luisteren wordt daardoor inspannender, begrip van het gesprokene wordt belemmerd.

Ik ben wat betreft dit onderwerp een roepende in de woestijn. De meeste mensen zijn zoveel jonger dan ik dat ze helemaal het verschil tussen onvoltooid verleden tijd en voltooid tegenwoordige tijd niet kennen. Niet geleerd op school, niet geleerd van hun ouders. Niemand begrijpt tegenwoordig nog dat de taal met het verdwijnen van taalconstructies is verarmt. Straks zijn we qua taal afgedaald tot het niveau van de chimpansee, maar ook dan zal dat tot niemand doordringen.

Ik begrijp overigens goed waarom Duurvoort geraakt was. Twitter heeft alle niveaus van beschaving verloren. Ik had iets getweet over de demonstratie op de dam en over de coronamaatregelen, en de riolen van Twitter begonnen te spuiten. Ik had iets getweet over burgemeester Halsema, en kreeg daarna een lawine van scheld-tweets. Geen inhoud, alleen lage aantijgingen. Meestal vol taal- en spelfouten. Duurvoort moet zich niet teveel aantrekken van wat Twitter zegt. Twitter is tegenwoordig een verzameling van trollen en bots en nitwits en domme mensen. Duurvoort moet blijven tweeten, om daar een beetje tegenwicht tegen te geven.

Taalblog

Nadat de juf de klas verliet…

Taal heeft een structuur en een systematiek. Die structuur en systematiek hebben een functie: ze maken het gemakkelijker voor een toehoorder het gesprokene te begrijpen. Hoe meer een toehoorder kan anteciperen op wat een spreker gaat zeggen, hoe groter de kans dat het gesprokene overkomt. Denk aan een telefoongesprek:

“Met de firma Jansen”

“Met Christine Karman, mag ik mevrouw Jansen aan de lijn?”

“Momentje. Wat is uw naam?”

Ik heb net gezegd hoe ik heet, maar de telefoniste heeft dat niet opgepikt. Dus doe ik het anders:

“Met de firma Jansen”

“Goedemiddag mevrouw, ik zou graag spreken met mevrouw Jansen, mijn naam is Christine Karman”.

“Ik verbind u door”

Als ik zeg “goedemiddag mevrouw” bereidt de telefoniste zich voor op mijn boodschap, en als ik zeg “mijn naam is” begrijpt ze dat ik daarna mijn naam zeg en dat ze die moet opschrijven. De menselijke hersenen zijn zeer complex en en doen voortdurend van alles, ze hebben even tijd nodig om over te schakelen naar het luisteren naar een zin. Als ik zeg “goedemiddag” gaan de hersenen van de telefoniste in de stand “luisteren naar de boodschap” en als ik zeg “mijn naam is” gaan ze in de stand “nu komt de naam”.

Zo gaat het met een zin in het Nederlands ook. Als ik zeg “nadat de boot van de kade was weggevaren” begrijpt de toehoorder dat ik nu iets ga vertellen over wat er daarna met de boot gebeurde. Hij zonk na vijf minuten en verging met man en muis. Als ik zeg “toen de boot van de kade wegvoer” weet de toehoorder dat er nu iets komt over wat er bij het wegvaren gebeurde: de trossen waren niet losgegooid en de boot trok de hele kade omver. Vijf toeschouwers vielen in het water en verdronken.

Het woord “nadat” kondigt aan dat er een werkwoord gaat komen in de voltooid verleden tijd (“was weggevaren”). “Nadat” en voltooid verleden tijd geven aan dat er een gebeurtenis gaat volgen die later heeft plaatsgevonden. Twee minuten na de afvaart, of nog later. Het feit dat dat wordt aangekondigd met “nadat” en daarna een voltooid verleden tijd maakt het voor de toehoorder eenvoudiger de zin te begrijpen. Immers, als je weet wat er gaat komen kun je beter luisteren.

Op dezelfde manier  kondigt het woord “toen” aan dat er een onvoltooid verleden tijd gaat komen (“wegvoer”) en dat er dan een beschrijving volgt van een gebeurtenis die tijdens dat wegvaren al gebeurde. Het beeld van de instortende kade vormt zich al in het hoofd van de toehoorder voordat de spreker de woorden “de kade stortte in” heeft uitgesproken.

Onze taal heeft zich in honderdduizenden jaren ontwikkeld, van de simpele keelklanken van de oermens tot de rijke syntax en woordenschat van tegenwoordig. Die rijke taal bepaalt onze cultuur. Hoe rijker en subtieler de taal, hoe meer we kunnen uitdrukken, hoe hoger ons denkniveau en onze beschaving.

Taal verandert voortdurend, en dat is mooi. Hoe meer nuances en schakeringen, hoe meer nieuwe woorden en uitdrukkingen, hoe meer we kunnen zeggen in onze taal en hoe rijker onze cultuur is. Echter, sommige veranderingen in de taal zijn een verarming, niet een verrijking. Het verschil tussen “nadat” en “toen” is één van de slachtoffers. Het is nu normaal om zelfs in de NRC te lezen “nadat het schip vertrok”. In plaats van dat we het vertrek van het schip op twee manieren kunnen inleiden en uitbeelden, is er nu nog maar één manier, en de toehoorder moet nog even geduld hebben met het vormen van een beeld: is dat een instortende kade of een zinkend schip in de verte. En als dat zinkend schip dan opdoemt, gebeurt hetzelfde als bij de telefoniste van de firma Jansen: “was dat schip net weggevaren of was het al op zee?”

Wat ik hier heb opgeschreven heb ik geleerd op de lagere school (basisschool heet dat nu) in de jaren ’60. Ik leerde het al toen ik leerde praten, zoals alle kinderen het leerden. Ook de meest kansarme kinderen. En ik begrijp niet zo goed waarom dat nu niet meer zo is.