Art History

Briefje van Marius

Marius Bauer schreef een briefje aan Jacoba Surie, datum onbekend. Surie was één van de Amsterdamse Joffers, Bauer was getrouwd met Jo Stumpff, ook een Joffer, hoewel ze pas na de dood van haar man serieus ging tekenen en schilderen. Zo waren de tijden: zorgen voor je man gaat voor je eigen werk en je eigen leven. Je kon als schilderes in die tijd maar beter niet trouwen denk ik. Surie was ook niet getrouwd, ze deelde 36 jaar een huis en atelier met Ans van den Berg, ook een Amsterdamse Joffer. Van den Berg had les gehad van Jo Stumpff.

Bauer had een schetsje getekend op die brief, ik denk van een tekening of ets waaraan hij werkte. Surie heeft dat schetsje van de brief geknipt en bewaard, en erop geschreven “Schetsje van brief, die ik van M. Bauer ontving. J. Surie”.

Ik kreeg dat schetsje bij een houtskooltekening van Bauer die ik op een veiling heb gekocht. Of eigenlijk, het schetsje was de reden dat ik die tekening heb gekocht.

Art History

How I do art history research

I am researching the Schwartze family from Amsterdam. I focus on Thérèse Schwartze (1851-1918), the painter, and her niece, Lizzy Ansingh (1875-1959), also a painter and one of the Amsterdamse Joffers. One of my goals is to write a book about the letters and about the family. The center of my research is a collection of 500 letters written by and to members of the family. The letters were bought by my father at a stamp auction in the early 90’s. As I have a degree in astrophysics rather than art history, it took me a while to figure out how to do this research and document the results.

Postcard from Lizzy Ansingh to Thérèse Schwartze. Text in the upper left added later by Ansingh.

I started out by scanning all letters, including the envelopes, about 3000 scans in total. I then transcribed the letters in text files. Some of the letters in German were hard to read (they were in süterlin) so I hired someone to read those for me. The letters are in Dutch, English, French and German. I decided not to translate any of them, yet.

Next step was to build a database. For each letter, I entered key parameters as date, person who wrote it, recipient, locations, etc. Then I wrote software to access both the database as the scanned files and text files from a web portal. This allowed me to gradually enrich and manage all content.

I decided to limit the research to the letters and the people (senders and recipients) and information directly related to those people. This means, I use all letters that I have, but no letters that are available elsewhere. I am not writing a biography of Schwartze, nor of Ansingh, I decided to focus on a snapshot of their family life from 1880 until 1940, the period covered by the letters I have. There is an entry in my database for every person related to one or more of the letters, including a super short biography and external links.

Information is available online, in books, in the letters, everywhere. Information is not structured: multiple sources refer to the same events and the same people. So, how to start and where to start? I decided to start writing chapters about each person who wrote letters, received letters or is mentioned in the letters. For each chapter, I read sources directly related to the chapter. I started with the easy ones to get a feeling for the material. For the family members I’ll take a different approach: I’ll write a bio chapter for each of them, then I’ll write chapters about specific subjects, until I have covered all factual information. After that, I will have to reread all sources (books, mainly) to fill in details. Some of the sources cover a lot of people and subjects and I can’t go through all sources for each person or subject. Rather, I’ll read the sources once again and enrich the data and text when I encounter facts and information while reading. Like, I wrote a chapter about Wally Moes based on her letters and her autobiography, then in a book about Henriette Roland Holst I find one paragraph about Moes and I’ll add one or two lines to her chapter. It is an iterative process that I may have to go through multiple times.

There is also serendipity. Recently, I was reading a page online, unrelated to my project, on which I encountered the name of one Henry Tindal. I remembered having a letter of Helene Tindal, who turns out to be Henry’s daughter. Henry Tindal founded De Telegraaf, the largest newspaper in the Netherlands. His brother in law was Gerard Heineken, the founder of the Heineken brewery. This information is not art related, but it is relevant to my project as it shows how well the Schwartze family was connected to important people in society, having immigrated to the Netherlands only in 1845.

After having written all these chapters, I will have too much tekst for my book. The final phase will be adding focus and weeding out everything that does not contribute to the point I want to make. Which is: how a woman portrait painter and her extended family of sisters and nieces managed to be succesful in a male dominated society between 1880 and 1920.

Art History

Holland op zijn smalst

266px-Onze_Afgevaardigden_(1901)_-_Victor_de_Stuers
Victor de Stuers (pic wikipedia)

“Holland op zijn smalst” is de aanduiding voor het stukje Noord-Holland ter hoogte van het IJ, waar Noord-Holland het smalst is. De uitdrukking heeft zijn overdrachtgelijke betekenis van benepenheid en bekrompenheid gekregen door een stukje in De Gids in 1873 met de titel “Holland op zijn smalst” van Victor de Stuers. In het stuk “liet de Stuers zich zeer kritisch uit over de wijze waarop de Nederlandse overheid omging met zijn monumenten” (citaat uit “Spiegel van de Werkelijkheid“, Jenny Reynaarts, 2019). Twee jaar later, in 1875, werd De Stuers de hoogste ambtenaar bij Binnenlandse Zaken die zich met monumentenzorg bezighield

De Stuers was met Joseph Alberdink Thijm betrokken bij het oprichten van het Rijksmuseum. Cuypers heeft hem daarom afgebeeld op het museumgebouw.

In 1914 heeft Thérèse Schwartze De Stuer’s portret geschilderd. In een brief van oktober 1914 schrijft hij Schwartze

Nu ben ik tevreden. Het portret is zoo gelijkend en als kunstwerk zeer goed. Als iemand zich niet ongerust behoeft te maken over mijn kritisch instinct, dan zijt gij het wel!

De Stuers, zelf een goed tekenaar, had het niet kunnen laten kritiek te hebben op de eerste versie van het portret en Schwartze te vragen het te veranderen.

Dus als iemand zegt “Holland op zijn smalst” dan hoor je Victor de Stuers, één van de grondleggers van de Nederlandse monumentenzorg.

Art History

Guido van Suchtelen

In mijn naspeuringen naar bronnen voor mijn boek over de familie van Thérèse Schwartze heb ik “Heilig Ongeduld” gelezen, de autobiografie van Wally Moes, een goede vriendin van Schwartze. Dit boek is onvoltooid achtergebleven na de dood van Moes in 1918. Moes was ernstig ziek en had in haar laatste jaren de grootste moeite aan haar biografie te werken. Pas in 1961 werd het uitgegeven bij de Wereldbibliotheek, door Guido van Suchtelen.

Van Suchtelen, geboren in 1920, had in de oorlog in het verzet gezeten en was daardoor bijna automatisch na de oorlog bij de CPN terechtgekomen. In 1948 kwam hij bij de Wereldbibliotheek te werken, waar zijn lidmaatschap van de CPN toch een belemmering bleek voor zijn carrière. Zijn vader Nico van Suchtelen had hem graag in de directie gezien, maar lidmaatschap van de CPN was toen onverenigbaar met zo’n functie. Uiteindelijk vertrok Van Suchtelen bij de Wereldbibliotheek door het spanningsveld rond zijn politieke overtuiging.

Guido woonde met zijn vrouw Didi (ze hadden drie kinderen) in de Watergraafsmeer. Ik heb Guido leren kennen toen ik ook in de Watergraafsmeer woonde, eind jaren ’70, via de CPN. Hij was niet het type “fanatieke communist”, hij was belezen en erudiet, en geloofde in het goede in de mens. Ik mocht hem erg graag. Had ik toen maar met hem gesproken over zijn werk, en over Wally Moes.

Guido is in 2006 overleden.

 

Art History

Havard en Lalanne in Holland

Henry Havard was geboren in 1838 in Bourgondië, hij trok naar Parijs waar hij deelnam aan de Commune van Parijs in 1871. Hij werd daarvoor ter dood veroordeeld, en vluchtte naar Nederland. Vanuit Nederland schreef hij voor diverse Franse bladen (Le Siècle, Le Monde Illustré). Hij schreef een boek over Delfts blauw aardewerk, “Histoire de la Faïence de Delft” en hij schreef een boek “La Hollande À Vol d’Oiseau”, Holland in Vogelvlucht. Voor dat boek reisde hij door het land en beschreef hij de steden in ons land, van Maastricht via Groningen en Leeuwarden naar Flessengue (Vlissingen).

Toen het boek geschreven was, suggereerde de uitgever dat Maxime Lalanne, etser en houtskool-tekenaar, de illustraties zou maken. Om Lalanne deelgenoot te maken van zijn indrukken van Holland, reisde Havard opnieuw door het land, nu met Lalanne. Dit resulteerde in de prachtige kleine tekeningetjes van het Holland rond 1880 die in het boek zijn opgenomen.

IMG_20200812_111926
Maxime Lalanne, tekening van de St Antoniespoort in Amsterdam (nu De Waag).

Het boek verkocht goed, al in 1882 was er een derde druk. Een mooi boek, goud op snee, een linnen band bedrukt met tekeningen in goud en zwart. Zoals vroeger mooie boeken werden gemaakt.

Havard moet als kunstcriticus toen hij door het land reisde al snel Mr Anton van Duyl hebben ontmoet, hoofdredactuur van het Handelsblad en kunstkenner. Ze raakten bevriend en bleven goede vrienden, ook toen Havard na gratie in 1879 terugkeerde naar Parijs. Van Duyl bracht Thérèse Schwartze in contact met Havard toen ze op zijn aanraden naar Parijs ging; Van Duyl en anderen vonden dat Schwartze zich aan de Duitse invloeden (van b.v. Lenbach) moest onttrekken en meer kennis moest nemen van de Franse schilderkunst. Havard leidde haar rond in Parijs en bracht haar in contact met schilders. Goede contacten met Bonnat, Breton en veel anderen zetten haar op het juiste spoor als schilderes. Schwartze heeft tot haar dood contact gehouden met Havard.

Ook met Lalanne had ze overigens contact, getuige het kaartje dat hij haar in 1885 stuurde.

card