Blog

Biomassa is niet groen

foto van wikimedia

Mensen zeggen dat het verbranden van hout (“biomassa”) circulair is en dus goed voor het klimaat. Het argument is dat het hout dat wordt verbrand eerst CO₂ uit de lucht heeft opgenomen die later bij het verbranden dan weer wordt uitgestoten. Wat er gebeurt is

  1. Je plant een bos en laat dat dertig jaar groeien. De bomen nemen een hoeveelheid CO₂ uit de lucht op.
  2. Je verbrandt het bos in een centrale, waarbij dezelfde hoeveelheid CO₂ wordt uitgestoten die het bos had opgenomen.
  3. Je hebt geen hout of bos meer over.

Vergelijk je dit met het stoken van aardgas:

  1. Je plant een bos en laat dat dertig jaar groeien. De bomen nemen een hoeveelheid CO₂ uit de lucht op.
  2. Je verbrandt aardgas in een centrale waarbij de uitstoot van CO₂ de helft is wat het bos heeft geproduceerd.
  3. Je hebt nog een bos over dat CO₂ blijft opnemen, of dat je kan kappen zodat je een grote stapel timmerhout overhoudt.

Vergelijk je beide modellen, dan wordt bij houtverbranding en gasverbranding dezelfde hoeveelheid energie geproduceerd. Bij houtverbranding wordt netto geen CO₂ uitgestoten of opgenomen, terwijl bij gasverbranding netto CO₂ wordt opgenomen uit de atmosfeer.

De mensen die houtverbranding “circulair” noemen, beargumenteren dat door in het houtmodel een bos te planten en dat in het gasmodel slinks weg te laten. Met scheve vergelijkingen kun je alles bewijzen. Het verbranden van hout is op geen enkele manier goed voor het klimaat.

Blog

Hernieuwbaar is niet groen

In 1972 publiceerde de Club van Rome het rapport “Grenzen aan de groei”. Het belangrijkste wat ik me herinner van dat rapport is de constatering dat delfstoffen en dus fossiele brandstoffen eindig zijn, kwa hoeveelheid. Als we doorgingen met olie en kolen verstoken, dan zou het op een gegeven moment op zijn, en wat dan?

Een oplossing voor dit probleem is het gebruik van “hernieuwbare” brandstoffen, dat wil zeggen, brandstoffen die we niet opgraven uit de aarde maar die we kunnen bijmaken. Dat is windenergie, of houtverbranding. Zonnecellen waren in de jaren ’70 al wel uitgevonden, maar pas in de jaren ’80 ging men bruikbare zonnecellen maken met een zinvol rendement.

We zijn nu vijftig jaar verder en de steenkool en olie zijn nog niet op. De wereldeconomie is minstens zoveel gegroeid als dat men indertijd dacht, maar er blijkt ook meer fossiele brandstof in de aarde te zitten dan gedacht. Het feit dat de hoeveelheid fossiele brandstof eindig is, blijkt niet zo’n probleem.

Wel een probleem is de hoeveelheid koolstof-dioxide (CO₂) in de atmosfeer. CO₂ en andere “broeikasgassen” zorgen dat de dampkring van de aarde opwarmt. Dat komt hierdoor: de zon verwarmt overdag de aarde met zichtbaar licht, dat door de dampkring het aardoppervlak bereikt. De aarde straalt die warmte ook weer uit, in de nacht, als microgolfstraling (warmtestraling). CO₂ (en andere broeikasgassen) laten het zichtbare licht van de zon probleemloos door, maar vangen de warmtestraling op, waardoor die niet de atmosfeer verlaat. Hierdoor warmt de atmosfeer geleidelijk aan op.

Hoe meer CO₂ (en andere broeikasgassen, ik zal dat verder niet expliciet steeds noemen) er in de atmosfeer is, hoe sneller de aarde opwarmt. Het enige wat belangrijk is voor de opwarming is het CO₂-gehalte van de lucht. Waar die CO₂ vandaan komt is niet relevant. Of die CO₂ uit een “cyclisch” proces komt of niet, doet er niet toe. Het CO₂-gehalte van de lucht is wat telt.

Willen we met ons allen minder CO₂ uitstoten, dan moeten we minder brandstof verbranden. De belangrijkste bron van CO₂ in de atmosfeer is het verbranden van fossiele brandstoffen als steenkool, olie en aardgas. Vandaar de terechte roep om steenkoolcentrales te sluiten en minder voertuigen met verbrandingsmotoren op de weg en in de lucht te hebben.

En daar lijkt er ergens iets mis te zijn gegaan in de terminologie. In “Grenzen aan de groei” ging het erom fossiele brandstoffen te vervangen door hernieuwbare brandstoffen, die niet de aarde zouden uitputten. Bij het beperken van de CO₂ uitstoot gaat het niet om het “hernieuwbare” effect, maar om de hoeveelheid CO₂. Terwijl het gebruikt van biomassa voor de Club van Rome een goed idee was, het stopt immers de uitputting van de aarde, is het voor de opwarming van de aarde juist helemaal geen goed idee. Het verbranden van hout of alcohol geeft meer CO₂ dan het verbranden van steenkool of olie, omdat hout en alcohol een lagere verbrandingswaarde hebben. Hout is wel hernieuwbaar, maar tegelijkertijd is het verbranden ervan zeer slecht voor het milieu.

Op dezelfde manier is het gebruik van aardgas voor de uitputting van de aarde even slecht als het verbranden van steenkool of olie, maar voor de opwarming van de aarde is aardgas veel beter. Immers, het verbranden van aardgas produceert half zoveel CO₂ per hoeveelheid opgewekte energie als steenkool, olie of hout.

Het woord “hernieuwbaar” moeten we dus niet meer gebruiken. Ons probleem is immers allang niet meer de uitputting van de aarde, ons probleem is de opwarming van de aarde. De oplossing is het drastisch verminderen van de netto uitstoot van CO₂. En hoe we dat doen maakt niet uit. Voor iedere vorm van energie-opwekking kun je uitrekenen wat de netto uitstoot van CO₂ is per Joule per seconde, of per megawattuur per jaar. Hoe lager die uitstoot is, hoe minder de aarde opwarmt. Hoe “groen” energieopwekking is wordt bepaald door dat getal, de hoeveelheid netto geproduceerde CO₂ per tijdseenheid per energiehoeveelheid. Hoe “hernieuwbaar” die energieopwekking is, is voor de opwarming van de aarde in het geheel niet relevant.

Sommige mensen zeggen “hout verbranden is CO₂ neutraal want de geproduceerde CO₂ is eerst door het hout uit de lucht opgenomen”. Dat is een drogreden. Er is eerst CO₂ opgenomen, dat klopt, maar of je na die opname van CO₂ door het bos de bomen verbrandt of dat je steenkool verbrandt, doet niet ter zake – behalve dan dat als je de bomen omhakt, het bos geen CO₂ meer opneemt. Het enige wat telt is de netto hoeveelheid CO₂ per seconde die er in de atmosfeer bijkomt. Of afgaat. En die hoeveelheid is bij het verbranden van steenkool net iets kleiner dan bij het verbranden van hout.

Aardgas is fossiel, en in het kader van de hernieuwbare brandstoffen van de grenzen aan de groei is het verbranden van aardgas precies even slecht als het verbranden van olie of steenkool. Echter, kijk je naar de klimaatopwarming en dus naar de netto uitstoot van CO₂ per joule per seconde, dan is de uitstoot van CO₂ door aardgasverbranding de helft van die van olie of steenkool. Je mag dus tweemaal zoveel energie opwekken met aardgas, vergeleken met steenkool, voor dezelfde opwarming van het klimaat.

En als je dat constateert, is het onbegrijpelijk dat in ons land het aardgas moet verdwijnen, terwijl het verbranden van hout en alcohol (biobrandstof) gesubsidieerd wordt of verplicht wordt. Er wordt 5% of 10% alcohol bijgemengd bij de auto-benzine. Alcohol heeft een lagere verbrandingswaarde dan benzine, je auto gaat er dus minder zuinig van lopen en produceert meer CO₂ per kilometer. Omdat de netto uitstoot van CO₂ het enige is wat telt, voor de opwarming van de aarde, is het verplichte bijmengen van alcohol in de benzine dus slecht voor het klimaat. Als je een wat oudere auto hebt, is het ook slecht voor de motor van je auto.

Ik stel voor om het woord “hernieuwbaar” niet meer te gebruiken. In plaats daarvan geven we dan bij iedere vorm van energieopwekking aan wat de netto uitstoot van CO₂ is per seconde per Joule. Waarbij we dan de uitstoot kunnen verminderen door naast het verbranden van aardgas eenzelfde bos aan te planten als wat we voor biomassa zouden doen en de CO₂ opname van dat bos verrekenen met de uitstoot van de centrale. Voor alle energie die we produceren rekenen we uit wat het “groen-getal” is, dat wil zeggen, de CO₂ uitstoot, verminderd met de compensatiemaatregelen die we treffen in de vorm van aanplant of niet omhakken van bos. Dan zal blijken dat de klimaat-agenda van onze overheid grondig herschreven moet worden.

Blog

De Cambrische Papaver

Toen ik nog thuis woonde, mocht ik in een hoekje van de tuin wat tuinieren. Ik plantte plantjes die ik van buren kreeg, ik plantte plantjes uit de natuur, ik zaaide van alles uit de natuur, ik zaaide zelfs vogelzaad. Dat werden mooie grote planten, waar mijn ouders niet onverdeeld blij mee waren maar die toch nooit enige marihuana van betekenis hebben opgeleverd.

Mijn principe bij het tuinieren, al van jongsaf aan, was dat de natuur de beste tuinier is en dat je de mooiste tuin krijgt als je alles maar wat laat begaan. Planten en zaaien is ok, maar wat de natuur er dan zelf bij zet is ook mooi. En vooral, dat wat de natuur in je tuin zet groeit goed want anders kwam het daar niet op. En terwijl mijn vader met een schoffel bezig was het onkruid uit de tuin te verwijderen, stond ik pal voor mijn plantjes. “Onkruid” is immers een synoniem voor “inheemse planten”, de plantjes die het nu juist goed doen in je tuin omdat ze inheems zijn.

In 1973 kocht ik een boek met de titel “Natuur uitschakelen, natuur inschakelen”, van Louis Le Roy. Le Roy was kunstenaar en tuinarchitect, hij werkte vanuit het principe “laat de natuur haar werk doen” en beschreef in het boek zijn principes en werkwijzen. Een belangrijk principe was dat wat ik ook al deed: je kunt zaaien en planten maar je haalt niets weg wat de natuur zelf plant en zaait. Een tweede principe was dat alles met begroeiing bedenkt moet zijn. Dat is wat vanzelf gebeurt, en begroeiing is goed voor de kwaliteit van de grond: ze beschermt tegen uitdroging door de zon, ze houdt water vast en zet mineralen uit de grond om in humus. Plantjes, en vooral bloeiende plantjes, zijn ook veel mooier dan zwarte aarde. Ik zag dat, als ik de perkjes met afrikaantjes en vooral veel zwarte aarde die mijn moeder maakte, vergeleek met de dwerg-ereprijs, ooievaarsbekjes en vogelwikke die moeder natuur mij had geschonken in mijn hoekje.

Le Roy gebruikte een aantal plantesoorten die goed voor de grond zijn en die snel groeien zodat alles snel bedekt is. De beste plant om mee te beginnen is de brandnetel. Die hoef je niet te zaaien, die komt vanzelf, en hij staat erom bekend veel stikstof uit de grond om te zetten en vast te houden. In de huidige tijd een belangrijke plant dus. Na een aantal jaren verdwijnen de brandnetels weer, om plaats te maken voor andere planten, die dan weer plaats maken, en zo voorts. Uiteindelijk, als de natuur haar gang mag gaan, heb je een bos, met eiken, of zelfs beuken. Afhankelijk natuurlijk van waar je woont, in Finland krijg je naaldbomen, geen beuken, en in de tropen krijg je palmen. Het principe blijft: de begroeiing ontwikkelt zich totdat er een stabiel evenwicht is met de meest “ontwikkelde” soorten van de regio.

De plant die mij het beste is bijgebleven uit het boek is de Cambrische Schijnpapaver. Le Roy zaaide die overal, omdat het een inheemse plant is die het goed doet en fraaie gele bloemen geeft.

Toen mijn zus verhuisde, jaren terug, naar het huis waar ze nu woont, bleek dat in de tuin bij haar nieuwe huis spontaan gele bloemen opkomen (zie foto), en ik herkende onmiddellijk de Cambrische Schijnpapaver, de Meconopsis Cambrica. Ik zocht ze online op voor mijn zus, en wat bleek? De Cambrische Schijnpapaver was inmiddels gepromoveerd tot Papaver. Hij heet nu de Papaver Cambricum, in 2011 hebben moleculair biologen ontdekt dat hij toch bij het geslacht Papaver hoort, waar Linnaus hem oorspronkelijk ook al had ingedeeld. Cambrische Papaver dus. Heel mooi, want papavers zijn allemaal mooi, de dieprode klaprozen langs in de berm, de papavers in de tuin, de witte slaapbollen in Turkije en de papavers die opkomen uit het maanzaad dat je zaait. Van mijn neefje had ik indertijd papaverzaad gekregen – hem kennende waren dat pure opiumpapavers – waar prachtige witte enkelbladige klaprozen uit kwamen, die een jaar later waren vermengd tot gevulde (niet enkelbladige) klaprozen in diverse tinten roze.

Vorige week heb ik mijn zus gevraagd of ik aan het eind van de zomer zaadjes van de Cambrische Papaver kan krijgen. Ik heb geen tuin, ik woon in een apartement op tien hoog, maar ik kan aan de huisbaas vragen of ik in de perken op de binnenplaats bloemen mag zaaien. Gele Cambrische papaver, en rode klaprozen. En ik kan vragen of een enkele brandnetel mag blijven staan, als monument voor Le Roy, en om de “stikstofcrisis” te helpen bestrijden.

Agile

Een Agile project: Een weekendje naar Parijs

Je gaat met een groepje vrienden van vroeger een weekend naar Parijs. Vrijdagavond met de trein heen, zondagmiddag terug. Je kent elkaar van school, je bent allemaal totaal verschillende wegen ingeslagen, maar je hebt altijd contact gehouden en om de zoveel jaar ga je samen iets doen. Je kennis en vaardigheden lopen nogal uiteen, maar dat maakt het juist interessant.

Joris en Pamela spreken vloeiend Frans, Joris omdat ‘ie in Marseille is opgegroeid, Pamela omdat ze bijvak Frans heeft gestudeerd. Johannes heeft een restaurant, hij weet alles van de Franse cuisine en kent alle goede restaurantjes in Parijs. Marie werkt voor een uitgever van reisboeken, die weet precies waar welk museum of andere interessantigheid in Parijs is te vinden en hoe je daar het snelste komt. Josien is kunstkenner, weet alles van de impressionisten en kibbelt dan met Maarten die toch meer van de oude meesters houdt. Dorien is filosofe, die schrijft na ieder uitstapje een prachtig verslag dat het niveau van de praktische activiteiten van het weekend ver overstijgt. En jij bent meer de doener, degene die zorgt dat je niet de hele dag in Jeu de Paume of Musee d’Orsay blijft rondhangen maar dat er ook ‘s middags witte wijn is op een terrasje ergens langs de Seine.

Zou je Scrum doen, dan besteed je de zaterdagochtend aan een planning meeting waarin je iedereen een taak geeft en subtaken en een verantwoordelijkheid en wordt het een dodelijk saai weekend waarin je één museum bezoekt en het terras met witte wijn moet overslaan omdat daar geen subtaak voor was. Maar natuurlijk doe je geen Scrum of welke methodiek ook als je met oud-klasgenoten een weekendje naar Parijs gaat. Je ploft vrijdagavond om negen uur op een kruk in hotel La Tamise, de helft van je gezelschap zit daar al of komt gelijk met jou binnenlopen, Maarten was je op Gare du Nord al tegengekomen en je bent samen naar het hotel gemetro’t. Je bestelt een Pastis, Josien heeft het over een tentoonstelling in het Louvre, Pamela praat over de kinderen die moeite hebben met hun studiekeuze, iemand roept “techniek! daar is altijd emplooi voor!” en je bestelt een tweede Pastis. Je let met één oog op Johannes, die is al aan z’n vierde Sauterne. Josien zegt dat ze per se naar een tentoonstelling van Grimaldi wil, in Art Jingle. Dorien is door een vriendin op het hart gedrukt dat ze Koen Wessing moet zien, dit weekend in Jeu de Paume. Diverse restaurantjes in de buurt van het hotel zijn de revu gepasseerd, de wijn op het terras moet beslist geen Chardonnay zijn, en als je rond elf uur je kamer opzoekt nadat Josien heeft gezegd “jongens, op tijd naar bed want morgen vroeg op!”, is er een globaal beeld van het programma van zaterdag en zondag.

Het ontbijt in het hotel is wel ok, je doet je duit in het zakje over hoe je de dag gaat indelen om alle wensen van gisteravond goed in te willigen en om half negen steek je de straat over naar Musée Jeu de Paume. Grimaldi ga je morgen doen, vandaag ga je wel naar het Louvre, maar omdat je wat eerder uit Jeu de Paume komt dan gepland, besluit jij dat er tijd is voor een korte wandeling over de boekenmarkt langs de Seine. Gisteravond was er heftige discussie over welk terrasje met welke witte wijn waar langs de Seine, maar Joris spot al wandelend tussen de boeken een grappig terrasje aan de overkant en dat gaat het worden.

Marie heeft geen verstand van restaurants of van goed eten, maar vertelt ergens in de middag een verhaal over hoe haar neef en nicht recentelijk daar en daar zijn wezen eten en hoe geweldig lekker dat was. Nicht is culinair recensente, neef heeft een restaurant, dus Marie heeft nu bepaald waar er vanavond gegeten gaat worden.

Zo verloopt de hele zaterdag gemoedelijk, in een vrolijk voorjaarszonnetje in stoffig Parijs, wandelend langs de Seine, schuifelend door musea, uitpuffend op een ombreus terrasje, kwebbelend en babbelend, en zonder een onvertogen woord. De foto’s van Wessing, in de leer geweest bij Ed van er Elsken, zijn indrukwekkend, politieke nieuwsfoto’s, zwartwit, prachtig. Het restaurant ‘s avonds is heel goed, het eten lekker, de wijn overvloedig, de Pastis aan de bar, goed geslapen, ontbijt met champagne en croissants. Dan uitchecken uit het hotel, met de metro naar Art Jingle voor Pierre-François Grimaldi – kleurige posters gemaakt uit verscheurde posters uit de metro – en op tijd op Gare du Nord voor de Thalys naar huis.

Een aangenaam en welbesteed weekendje Parijs.