Blog

De Cambrische Papaver

Toen ik nog thuis woonde, mocht ik in een hoekje van de tuin wat tuinieren. Ik plantte plantjes die ik van buren kreeg, ik plantte plantjes uit de natuur, ik zaaide van alles uit de natuur, ik zaaide zelfs vogelzaad. Dat werden mooie grote planten, waar mijn ouders niet onverdeeld blij mee waren maar die toch nooit enige marihuana van betekenis hebben opgeleverd.

Mijn principe bij het tuinieren, al van jongsaf aan, was dat de natuur de beste tuinier is en dat je de mooiste tuin krijgt als je alles maar wat laat begaan. Planten en zaaien is ok, maar wat de natuur er dan zelf bij zet is ook mooi. En vooral, dat wat de natuur in je tuin zet groeit goed want anders kwam het daar niet op. En terwijl mijn vader met een schoffel bezig was het onkruid uit de tuin te verwijderen, stond ik pal voor mijn plantjes. “Onkruid” is immers een synoniem voor “inheemse planten”, de plantjes die het nu juist goed doen in je tuin omdat ze inheems zijn.

In 1973 kocht ik een boek met de titel “Natuur uitschakelen, natuur inschakelen”, van Louis Le Roy. Le Roy was kunstenaar en tuinarchitect, hij werkte vanuit het principe “laat de natuur haar werk doen” en beschreef in het boek zijn principes en werkwijzen. Een belangrijk principe was dat wat ik ook al deed: je kunt zaaien en planten maar je haalt niets weg wat de natuur zelf plant en zaait. Een tweede principe was dat alles met begroeiing bedenkt moet zijn. Dat is wat vanzelf gebeurt, en begroeiing is goed voor de kwaliteit van de grond: ze beschermt tegen uitdroging door de zon, ze houdt water vast en zet mineralen uit de grond om in humus. Plantjes, en vooral bloeiende plantjes, zijn ook veel mooier dan zwarte aarde. Ik zag dat, als ik de perkjes met afrikaantjes en vooral veel zwarte aarde die mijn moeder maakte, vergeleek met de dwerg-ereprijs, ooievaarsbekjes en vogelwikke die moeder natuur mij had geschonken in mijn hoekje.

Le Roy gebruikte een aantal plantesoorten die goed voor de grond zijn en die snel groeien zodat alles snel bedekt is. De beste plant om mee te beginnen is de brandnetel. Die hoef je niet te zaaien, die komt vanzelf, en hij staat erom bekend veel stikstof uit de grond om te zetten en vast te houden. In de huidige tijd een belangrijke plant dus. Na een aantal jaren verdwijnen de brandnetels weer, om plaats te maken voor andere planten, die dan weer plaats maken, en zo voorts. Uiteindelijk, als de natuur haar gang mag gaan, heb je een bos, met eiken, of zelfs beuken. Afhankelijk natuurlijk van waar je woont, in Finland krijg je naaldbomen, geen beuken, en in de tropen krijg je palmen. Het principe blijft: de begroeiing ontwikkelt zich totdat er een stabiel evenwicht is met de meest “ontwikkelde” soorten van de regio.

De plant die mij het beste is bijgebleven uit het boek is de Cambrische Schijnpapaver. Le Roy zaaide die overal, omdat het een inheemse plant is die het goed doet en fraaie gele bloemen geeft.

Toen mijn zus verhuisde, jaren terug, naar het huis waar ze nu woont, bleek dat in de tuin bij haar nieuwe huis spontaan gele bloemen opkomen (zie foto), en ik herkende onmiddellijk de Cambrische Schijnpapaver, de Meconopsis Cambrica. Ik zocht ze online op voor mijn zus, en wat bleek? De Cambrische Schijnpapaver was inmiddels gepromoveerd tot Papaver. Hij heet nu de Papaver Cambricum, in 2011 hebben moleculair biologen ontdekt dat hij toch bij het geslacht Papaver hoort, waar Linnaus hem oorspronkelijk ook al had ingedeeld. Cambrische Papaver dus. Heel mooi, want papavers zijn allemaal mooi, de dieprode klaprozen langs in de berm, de papavers in de tuin, de witte slaapbollen in Turkije en de papavers die opkomen uit het maanzaad dat je zaait. Van mijn neefje had ik indertijd papaverzaad gekregen – hem kennende waren dat pure opiumpapavers – waar prachtige witte enkelbladige klaprozen uit kwamen, die een jaar later waren vermengd tot gevulde (niet enkelbladige) klaprozen in diverse tinten roze.

Vorige week heb ik mijn zus gevraagd of ik aan het eind van de zomer zaadjes van de Cambrische Papaver kan krijgen. Ik heb geen tuin, ik woon in een apartement op tien hoog, maar ik kan aan de huisbaas vragen of ik in de perken op de binnenplaats bloemen mag zaaien. Gele Cambrische papaver, en rode klaprozen. En ik kan vragen of een enkele brandnetel mag blijven staan, als monument voor Le Roy, en om de “stikstofcrisis” te helpen bestrijden.