Blog

Hoe digitale democratie kwam….. en weer ging.

De Digitale Stad was een experiement met internet en democratie dat op 15 januari 1994 van start ging. Georganiseerd door debatcentrum De Balie, gefaciliteerd door de Stichting Hacktic (later XS4ALL) en met een beetje subsidie van de Gemeente Amsterdam, zou het experiment zes weken gaan duren. Het werd zo’n succes dat het niet na zes weken gestopt kon worden, het zou een aantal jaren duren. Het belangrijkste dat De Digitale Stad (DDS) heeft bereikt, in zeer korte tijd, is dat het internet veranderde van een universitair en technisch computernetwerk naar een virtuele gemeenschap van burgers. En terwijl de meeste journalisten en “deskundigen” het hadden over “de informatie snelweg” en “informatie overload”, werd in DDS duidelijk dat informatie niet de kern was van het internet. De essentie van het internet was, of werd onder invloed van DDS, communicatie en community. DDS was het eerste social medium. DDS was het eerste chat-platform dat breed voor burgers beschikbaar was. DDS was het eerste forum voor de burger. Gebaseerd op technologieën als IRC en Usenet, die niemand zich nu nog herinnert.

Het techno-optimisme overheerste de discussies. In de forums, maar ook op de debat-avonden die er op zaterdagavonden in De Balie door DDS werden georganiseerd, ging het over hoe het internet zou mogelijk maken dat iedere burger actief participeert in de democratie. Immers, via het internet zou iedere policicus/ca eenvoudig bereikbaar zijn en kunnen meeluisteren en debatteren in de forums van de burgers. DDS demonstreerde op de allereerste avond een multimediale aanpak waarbij Diane Ozon via Salto TV een uitzending presenteerde vanuit De Balie waar ze jongelui interviewde die in De Balie zaten te chatten via DDS. Thuis keken mensen naar Ozon op TV en naar de chat op hun laptop. Ozon reageerde op een chat van een internetter die in beeld verscheen en bespraak de chat met de jongelui die ze interviewde. En wij dachten gelijk: dat zou in de Tweede Kamer ook kunnen. De burger zou via chat, forums, radio en TV interactief in het parlement aanwezig kunnen zijn.

Er is veel goeds voortgekomen uit De Digitale Stad. Heel veel mensen hebben in DDS geleerd een web site te maken, geleerd te programmeren, geleerd hoe je met digitale media marketing bedrijft, hoe je internet gebruikt voor je onderneming. Zelf raakte ik betrokken bij projecten in en voor het onderwijs. Met Joost Flint en Rob Rapmund werkte ik in projecten voor het BVE onderwijs (Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie, de grootste sector in het onderwijs), projecten waarin docenten leermiddellen ontwikkelden op internet en in het algemeen experimentereden met het inzetten van internet in het onderwijs. Eerst heette ons project het “BVE Plein” (de Digitale Stad was georganiseerd rond pleinen en huizen), later verzelfstandigde het als BVE-net, om uiteindelijk één van de peilers van Kennisnet te zijn.

Wat me uit die tijd het meest is bijgebleven is niet in de eerste plaats de snelle technologische ontwikkeling die we om ons heen zagen gebeuren, waar we middenin zaten, waarvan we zelf één van de motoren waren. Het meest is me bijgebleven het menselijke aspect van De Digitale Stad. DDS was niet voor niets een metafoor, en de bewoners van DDS slaagden erin om alle metaforen uit de stad, uit de samenleving, in DDS virtueel te verwezenlijken. Zoals er tegenwoordig kritiek is op burgemeester Halsema, was er toen kritiek op de “burgemeester” van DDS, Marleen Stikker. Ze was voorzitter van de Stichting DDS – ze had er een hekel aan om “burgemeester” genoemd te worden – en zag zich zich genoodzaakt om via één van de forums een toespraak te houden. Er werd ineens door bewoners een Digitale Metro gebouwd. Het fanatisme waarmee daaraan werd gewerkt laat moderne gameverslaving in het niet vallen. Er waren fikse discussies, maar er was eigenlijk nooit echt ruzie. Daar was het allemaal veel te leuk voor.

DDS was wereldwijd de eerste virtuele gemeenschap die breed voor burgers toegankelijk was, en ook druk werd bezocht. De allereerste virtual communitie was The Well, waarop Howard Rheingold zijn boek “Virtual Communities” heeft gebaseerd. Maar The Well was een kleine besloten buurtgemeenschap, DDS werd bevolkt door 60.000 bewoners, uit heel Nederland. Rheingold was nieuwsgierig naar DDS, hij is een keer op bezoek gekomen, er is ergens op internet nog een foto van een kringgesprek van Rheingold met wat prominente DDS bewoners.

DDS was een social medium. DDS droop van techno-optimisme en digitale idealen van de perfecte democratie. Dat idealen idealen zijn en perfectie niet bestaat, drong toen nog niet tot ons door.

DDS ontwikkelde zich van het text-only medium (zie afbeelding) in de tijd dat het www nog niet echt was ontwikkeld, tot een echte virtuele stad met pleinen en huizen en straten en prachtige graphics. In 1993 werd het mogelijk afbeeldingen te laten zien op web sites, in de loop van 1994 ging DDS ook WWW. DDS bood een web-editor aan, zodat je interactief je web site online kon updaten. Nu doet iedereen dat, maar naar ik me herinner was DDS de eerste die dat mogelijk maakte. Gaandeweg werd internet ook buiten DDS populairder, de bewoners van DDS waaierden uit over eigen bedrijfjes, internet projecten bij grote bedrijven, eigen web sites. Het was een soort logisch einde van DDS om na een paar jaar broedkamer van internet-creativiteit te zijn geweest, de kuikens de wereld in te sturen en zelf met pensioen te gaan.

Nog een poos bleef internet mooi en leuk en goed. Er waren steeds meer web sites, van hobbyisten voornamelijk, en van early adopter bedrijven. De kentering kwam toen ook grotere bedrijven internet als medium ontdekten. Grote bedrijven met grote budgetten overvleugelden de hobbyist die in de avonduren aan een web site werkte. Internet werd meer commercieel, en minder leuk. Begin 1995 werd Yahoo opgericht, aanvankelijk als een directory van web sites, toen met een zoekmachine, en steeds meer als social medium. Via een beursgang in 1996 waren ze niet veel later instaat miljarden-overnames te doen. Het grote geld maakte uiteindelijk toch de dienst uit.

Kijk je vandaag de dag naar social media, dan is het moeilijk de overeenkomsten te zien met het gezellige dorpsplein van De Digitale Stad, waar geen onvertogen woord viel. Begin jaren ’90 zag je op usenet wel eens de tekst “on the internet, nobody knows you’re a dog”. Met een cartoon erbij van een hond die zit te internetten. Toendertijd was de slogan voor meerderlei uitleg vatbaar, tegenwoordig kun je de tekst maar op één manier opvatten: iemand die anoniem of althans onzichtbaar achter een computer zit te typen mist de schroom om een ander te beledigen. Ik ben geen psycholoog of socioloog dus ik ga geen wetenschappelijke verklaring zoeken, maar dat je in een gesprek in levenden lijve met een persoon meer schroom en remmingen hebt om nare dingen te zeggen dan achter een beeldscherm, dat lijkt me duidelijk. Vroeger zou je in de tram na de verkiezingsoverwinning van D66 ongetwijfeld gehoord hebben “nou, die Kaag lijkt me niks” maar wat je nu op Twitter over mevrouw Kaag voorbij ziet komen leent zich niet voor citaten. Mijn techno-optimisme uit 1994 staat nu zwaar onder druk. Maar het is nog erger.

In 2004 is Facebook opgericht, gevolgd door Twitter en andere social media. En Facebook bleek de duivel in digitale vermomming. Op Facebook zie je berichten van je “vrienden”, dat wil zeggen van de mensen met wie je op Facebook hebt geconnect. Oorspronkelijk zag je die berichten gewoon op volgorde van datum, ze kwamen binnen zoals ze binnenkwamen. Op enig moment, ik weet niet meer wanneer, besloot Facebook dat het niet handig was als je alle berichten op chronologische volgorde zou zien, maar dat gebruikers blijer zouden worden als ze meer leuke berichten zouden zien en minder niet leuke. “Leuk” is hier dan gedefinieerd als “heeft een like gekregen van een aantal van je vrienden”. Ik ben vrij fanatiek tegen kwakzalverij en bedrog, maar toen twee van mijn “vrienden” een paar antivax berichten hadden geliket, kreeg ik ineens alleen nog maar antivax berichten en geen normale feitelijke informatie meer. Ik zat in een bubbel, in een heel foute bubbel. De paradox is dat dit niet in de eerste plaats de schuld is van Facebook. Facebook wil geld verdienen, dat doen ze als klanten tevreden zijn, en de gemiddelde klant is het meest tevreden als er alleen leuke berichten op het scherm komen en geen nare berichten. Zoals veel mensen liever roddelbladen lezen dan kranten met echt nieuws. Het is dus uiteindelijk de gebruiker zelf die kiest voor bubbels en nepnieuws. Ik ben allang van Facebook af, ik zit wel op Twitter om dan toch nog één social medium te volgen, ook daar krijg je standaard alleen de “leuke” berichten. Waar je in 2008 berichten van vrienden en collega’s in je tijdlijn zag, zie je nu alleen berichten van TV persoonlijkheden en andere beroemde mensen. Stel je je tijdlijn in op “chronologisch”, dan verandert Twitter dat na een week weer in “alleen beroemdheden”.

Wat social media, en internet in het algemeen, nu karakteriseert zijn drie dingen: iedereen zit in een bubbel met nepnieuws, iedereen kan zonder schroom want onzichtbaar en anoniem de grofste beledigingen uiten en Jan en alleman zit op internet. Dat laatste klinkt misschien wat raar, wat ik bedoel te zeggen is dat pre-internet niet iedereen zomaar een ingezonden stuk in de krant kreeg. Niet iedereen schreef een brief, en er zat een filter voor in de vorm van de redactie van een krant.

Marleen heeft een boek geschreven, “Het internet is Stuk” met als ondertitel “maar we kunnen het maken”. Met de titel ben ik het van harte eens, de ondertitel onderschrijf ik niet. De Facebook-geest is uit de fles (en dan bedoel ik Facebook en al die andere manipulerende tech bedrijven) en geesten krijg je in het algemeen niet zomaar weer in de fles. Zeker niet als zo’n geest honderden miljarden verdient voor zijn aandeelhouders. En helemaal niet als een meerderheid van mensen het wel comfortabel vindt in de bubbel met gelijkgestemden.

Ik weet zeker dat antivax en anticorona groepen voortkomen uit de bubbels van social media. Waarbij mensen die op social media hebben geleerd dat haatspraak onbestraft blijft, ook in staat blijken die haatspraak te uiten op het Malieveld. En terwijl haatspraak op Twitter niet zo gauw tot fysiek geweld leidt – ik lees geen berichten over in elkaar geslagen laptops – gebeurt dat op het Malieveld wel. De nepwerkelijkheid die door de manipulatie van Faceboek c.s. is gecreëerd, wordt door de boze burger getransformeerd in een heel echte werkelijkheid waarin agenten in het ziekenhuis belanden, autos in brand vliegen en winkels worden geplunderd. Dat is de ultieme paradox: waar we in DDS de werkelijkheid als metaforen in de digitale wereld hadden geïntroduceerd, heeft de duivel zijn eigen versie van de digitale wereld teruggespuugd in onze echte wereld.

Ik was vroeger een groot fan van Marten Toonder. En het meest van dat ene gevleugelde zinnetje dat Bommel uitsprak als de duivel in de gedaante van Hocus P. Pas ineens uit het niets verscheen: “Tom Poes, verzin een list!” Ik zie geen uitweg uit de rattenval die social media en internet in het algemeen blijken te zijn, dus roep ik hier wanhopig uit: “Marleen, verzin een list!”