Blog

Mijn moeder had een wiskunde-knobbel

Mijn moeder was niet dom. Ze was wel wat men toen noemde “een streber” en ze bemoeide zich met van alles. Als we als gezin verhuisden, zat ze altijd binnen een maand in het bestuur van de tennisclub. Geboren in 1928 beleefde ze haar tiener-jaren in de oorlog, in Epe. Na de lagere school ging ze naar het gymnasium (dat hoorde zo in de familie) en omdat haar oudere broer Hein ook op het gymnasium zat was dat handig met de boeken. Hein deed Gymnasium Bèta, dus mijn moeder ging dat ook doen, dat scheelde in de kosten van de boeken. Mijn oma was alleenstaande moeder, mijn opa was in 1928 overleden aan difterie, een half jaar voordat mijn moeder was geboren. Mijn oma kreeg een weduwenpensioentje en werd goed ondersteund door met name haar schoonfamilie, maar rijk was oma dus niet. Het delen van schoolboeken lag voor de hand.

Op het gymnasium in Apeldoorn was een wiskundeleraar die vond dat meisjes geen wiskunde kunnen. Hij slaagde erin om mijn moeder daarvan te overtuigen, ze zei regelmatig “ik weet niets van wiskunde”. Toch slaagde ze erin de vijfde klas te bereiken, ondanks die wiskundeleraar, maar toen ze die klas voor de tweede keer had gedaan en toen weer bleef zitten (op wiskunde), stopte ze met het gymnasium. En ging dus ook geen vervolgopleiding doen, ze ging op kantoor werken.

Ik heb wel een wiskunde-talent. Dat uit zich bijvoorbeeld in het uitstekende ruimtelijk inzicht dat ik heb. Ik had altijd tienen voor stereometrie op het gymnasium. Ook voor de andere wiskundevakken trouwens. Ik merkte dat ruimtelijk inzicht een praktisch nut heeft in het huishouden. Als ik voor de kinderen chocolademelk maakte (cacao, suiker, hete melk) dan zette ik drie bekers op het aanrecht, of twee, of vier, afhankelijk van wie er thuis waren, dan goot ik uit de losse pols melk uit het pak in het pannetje, en als de melk kookte en ik ze uitgoot in de bekers, paste het altijd precies. Nooit teveel, nooit te kort. Of ik nou grote bekers had gepakt, of kleinere. Blijkbaar zie ik onbewust met een “wiskunde-oog” hoe hoog de melk in het pannetje moet staan om de bekers precies te vullen.

Ik vertelde dat aan mijn moeder. “Oh, zei ze, dat heb ik met thee. Ik doe water uit de kraan in de ketel, en als het kookt in de theepot, en ik heb altijd precies genoeg thee voor zoveel kopjes als er nodig zijn”. Ze vroeg ook altijd “wie wil er thee?” en “wil je één of twee kopjes?” Toen ik dat later aan mijn vader vertelde zei hij “als ik met je moeder een huis bekijk, bij vrienden of zo, dan weet ze altijd precies hoe het huis in elkaar zit, dan weet ze of ze in de slaapkamer dan boven de keuken is of boven de huiskamer. Ik moet daar altijd diep bij nadenken”.

Ik concludeer daaruit dat mijn moeder een talent had voor ruimtelijk inzicht, en dus voor wiskunde. In haar tijd moet ze een hoog IQ hebben gehad, want toen waren IQ tests vooral gebaseerd op ruimtelijk inzicht.

Mijn moeder had een wiskunde talent. Ik neem de wiskundeleraar op het Gymnasium van Apeldoorn tot op de dag van vandaag kwalijk dat hij met zijn achterlijke vrouwvijandige stomme idee dat meisjes geen wiskunde kunnen, mijn moeder heeft verhinderd het gymnasium af te maken en een mooie studie te doen.