Blog

De architect kookt niet

Ik denk dat architecten niet koken, en sterker nog, nooit in de keuken staan. Hoe verklaar ik anders dat in veel keukens ergonomisch ongeveer alles verkeerd is?

Ik neem mijn huidige apartement als voorbeeld. Het is 90m² groot. Twee slaapkamers, een grote woonkamer. Geen keuken. Dat wil zeggen, ik kook in een hoekje van de woonkamer en dat heet dan “open keuken”. Dat geeft een aantal problemen.

Ten eerste, ik wok nogal eens, ik bak wel eens wat, en in mijn woon/werkkamer hangt een aantal olieverf schilderijen van begin vorige eeuw. Hoe voorzichtig ik ook wok en bak, die schilderijen raken langzaam bedekt onder een laagje olie. Ik wil gewoon een aparte keuken in mijn huis.

Ten tweede, de keuken is maar een hoekje, heel klein, met ingebouwde koelkast, vaatwasser, combi-oven, kookplaat, allemaal in dat hoekje. Als een architect wel eens zou koken zou hij weten dat je in de keuken een afvalbak hebt. Die past niet in mijn keuken, die zou ik dan naast de bank moeten zetten of naast de deur naar de hal, of onder de eettafel. Dus heb ik een afvalbakje in het gootsteenkastje. Een piepklein afvalbakje, waarvan het deksel niet helemaal opgengaat omdat het tegen de afvoer van de gootsteen komt. Ik moet vrij vaak naar de container beneden (ik woon op tien hoog) om een heel klein zakje met afval weg te gooien.

Ten derde, het lichtpunt in de keuken zit aan de rand van de keuken, op de rand van het hoekje dus. Sta je in de keuken, dan sta je in het licht en is het aanrecht niet goed verlicht. Dat is iets waar architecten sowieso niet goed bij nadenken: ze plaatsen lichtpunten op plekken die zij handig vinden, zoals zij denken dat je je huis moet inrichten. Dus hang je in de keuken een paar felle spots aan het lichtpunt die de achtermuur verlichten zodat je nog iets kunt zien in de keuken.

Ten vierde, stopcontacten boven het aanrecht. In San Jose (CA) had ik een klein aanrecht in mijn apartement, met een hele serie stopcontacten, verspreid over het aanrecht. Hoe ik de apparaten ook neerzette, ik kon ze altijd aansluiten zonder een warboel van snoeren te maken. Niet in mijn huis. Ik heb drie dubbele stopcontacten, waarvan twee verstopt achter de espressomachine, en eentje op een stuk van het aanrecht waar ik drie elektrische apparaten heb staan. Gedoe met snoeren dus. Waarom niet gewoon zes dubbele stopcontacten? Zodat ik zelf kan bepalen wat ik waar neerzet?

Ik heb al eens eerder geschreven over keukenapparatuur, in een artikeltje over quality management. Je verwacht dat een architect daar goede keuzen in maakt, maar niet dus. De inductiekookplaat heeft de slechtst denkbare bediening, aan de combi-oven heb ik een magnetisch klokje gehangen omdat de ingebouwde klok ook na 8 jaar voor mij nog pure magie is, en de magnetron gaat piepen als de tijd op is, en blijft piepen, tot St Juttemis. Niet drie piepjes, of zes, en dan eentje per minuut: nee, een blijvend gepiep totdat je hem uitzet. Dat geldt voor alles van de combi-oven: als je niet alle knoppen bij het uitzetten in de juiste stand zet, gaat alles piepen. Ook bij de kookplaat: als ik een pan ietsje scheef neerzet gaat het piepen, zelfs als de kookplaat verder helemaal uit staat.

Ik stel voor dat de opleiding van die mensen die apartementen gaan ontwerpen, een college bevat waarin de studenten iedere dag in de keuken staan van hun zelf ontworpen apartement. Ze doen dan een kookwedstrijd van een kwartier, waarbij alles op tijd klaar moet zijn en de keuken netjes wordt achtergelaten. Bij geen ander licht dan hun ontworpen lichtpunten. Met twaalf elektrische apparaten die allemaal tegelijk moeten kunnen worden aangesloten. Ieder onnodig piepje leidt tot diskwalificatie. Dat zal ze leren.

 

Blog

Vrouw aan de top

In 1998 had ik een goed idee. Ik ging AI toepassen in social media. Ik bouwde immers al sinds eind jaren ’80 AI-systemen (bij BSO onder andere) en pionieerde sinds begin ’94 met internet-applicaties (bij BSO en bij De Digitale Stad). Ik had gelezen over de “believable agents” (bots) van Pattie Maes bij MIT, mijn idee was om die bots over het internet te laten lopen. Dus richtte ik het bedrijf Tryllian op. We begonnen in een klein kantoortje, twee angel investors erbij, en vijf programmeurs. Binnen drie maanden hadden we iets werken. Interaction designer erbij (uit de school van Dick Rijken) en dan maar hard werken.

Clip1

In 1999 opende het “Twinning Center” in de Watergraafsmeer. Een incubator waar je ruimte en faciliteiten kon huren, waar je met investeerders in contact kwam, en waar je geholpen werd met internationale expansie (lees: verhuizen naar Silicon Valley). Twinning investeerde ook. Toen het gebouw opende, waren er zes bedrijven die daar ruimte huurden en die investering kregen van Twinning. Van de beloofde faciliteiten kwam niets terecht: dat regelden we toen maar onderling. Tryllian had inmiddels tien medewerkers, en dat was genoeg. Vond ik toen.

Toen ik op zoek ging naar meer investering (je moet het ijzer smeden als het heet is, en je moet niet eerst wachten tot je geld op is) ging ik presentaties doen (“pitches”) aan diverse investeerders. Twinning drong er als aandeelhouder op aan dat ik een “profesionele CEO” zou aannemen. Ik voelde daar niets voor, ik kon het prima zelf. Ze kwamen met een kandidaat, die wilde €400.000 per jaar verdienen. Ik vond dat net wat veel, ik verdiende zelf tien keer minder. Geen van de andere kandidaten waar ze mee kwamen had de expertise of ervaring die ik nodig vond. Uiteindelijk kwamen ze met een meneer die 12 jaar als projectmanager bij een bank had gewerkt. Ik las zijn CV, het was niks. Maar of ik er nog ‘s over wilde denken. Het was niks. Ik moest met hem spreken. Het was niks. Toch is ‘ie er gekomen: als professionele CEO in een keurig grijs pak.

Met mijn pitches haalde ik inmiddels €11M aan investering binnen bij een groep investeerders. Met 10 mensen in dienst kun je voor zo’n bedrag wel wat software maken en reclame maken en zo. Maar dat was niet meer aan mij, als je een aantal ronden financiering doet waarbij de nieuwe investeerder steeds de helft van de aandelen krijgt, dan hou je niet veel over. Ik had nog maar nauwelijks tien procent van de aandelen, en kon dus niet meer zelf beslissen over Tryllian.

De CEO ging voortvarend te werk met het laten groeien van het bedrijf. Na anderhalf jaar werkten er 60 mensen en zaten we in een nieuw groot gebouw. We hadden vier boekhouders (zelf had ik de boekhouding en administratie uibesteed aan een kantoor waar ik al eerder mee had gewerkt) en drie personeelmanagers (personeel aannemen deed ik tevoren gewoon zelf). Toen was ik het zat. Na een gesprek met de hoofd-boekhouder begreep ik dat er tonnen per maand de deur uit gingen aan totaal nutteloze kosten. Ik had beter op moeten letten: ik was er ten onrechte vanuit gegaan dat een heel dure professionele CEO zou weten hoe je verstandig met geld omgaat. Ik was er ook vanuit gegaan dat de commissarissen die er namens de investeerders zaten, daarop zouden letten.

Ondertussen had ik strijd gevoerd met de CEO over het product dat we hadden. Dat waren Gossip bots, grappige figuurtjes op het scherm van je laptop die in tekstballonnetjes met je praatten en dan floep! het wereldwijde interweb op gingen om namens jou met andere bots en agents te onderhandelen over alles wat jij interessant vond. Een uur of een dag later kwamen ze dan terug, en kon je kijken wat ze hadden gevangen. Iedereen vond het dolle pret. Iedereen, behalve de CEO. Die dacht dat dolle pret geen goed businessmodel was. Dat ik wereldwijd presentaties gaf over de gossipjes, dat we op JavaOne in 2001 één van de “ten cool apps” waren, dat ik met de gossipjes in 2001 door het World Economic Forum als Technology Pioneer werd uitgenodigd om naar Davos te komen, dat telde blijkbaar niet. De man trok de stekker eruit. Vrij letterlijk: hij gaf een systeembeheerder opdracht de server uit te zetten waar de applicatie op draaide. De enige applicatie die we hadden en die best wel wat gebruikers had.

In 2002 was het geld op, ik vertrok en ging iets anders doen, het bedrijf ging later dat jaar failliet. Ik heb veel geleerd in die tijd:

  1. Laat je nooit door anderen wijsmaken hoe je je bedrijf moet runnen. Zelfs als het bedrijf het niet redt, heb je minder slapeloze nachten als je het bedrijf zelf failliet laat gaan dan als je het door een ander laat doen. Laat je door iedereen adviseren, maar beslis zelf. 
  2. Zorg dat je de controle over je bedrijf houdt door genoeg aandelen zelf te houden. Ook na een paar ronden investering wil je nog meerderheidsaandeelhouder zijn. 

Ik heb ook veel geleerd over het runnen van een bedrijf en hoe dat wel en niet moet en hoe je goede mensen aanneemt en hoe je mensen tot de top van hun kunnen drijft. Dat doe je niet door ze te vertellen wat ze moeten doen, maar door ze te laten zien wat mogelijk is. Als je wilt dat mensen een schip bouwen, moet je ze niet leren timmeren en zagen, maar moet je de visioenen schetsen van wat je op zee aan de horizon kunt vinden.

Iets waar ik eigenlijk pas recentelijk aan dacht is dat Tryllian het enige bedrijf in de Twinning omgeving was waar werd doorgedrukt dat er een “professionele CEO” werd aangenomen. Die andere vijf waren opgericht door groepjes vrienden, door twee broers, door mannen alleen. De twee broers werden rijk, de groepjes vrienden kwamen in fusies en overnames terecht en deden het zo aardig goed. De mannen alleen werden niet rijk maar ook niet arm. En ik, ondanks dat men een professionele bank-meneer als CEO had aangesteld, kon na een enerverend achtbaan-avontuur helemaal opnieuw beginnen.

Ik heb Tryllian van mijn CV verwijderd. Tryllian was indertijd nogal bekend in ons land, het faillissement kleeft aan mij, het staat niet goed op mijn CV, heb ik in de loop van de tijd gemerkt. Laatst nog maakte iemand er een schampere opmerking over. Na 20 jaar. Ik ben opnieuw begonnen, en opnieuw begonnen, ik freelance nu als Java/Android/Springboot/Kotlin developer en projectmanager. En ondernemer, want dat is wat ik wil. Corona heeft dat wat in de wielen gereden, met gecancelde opdrachten en zo, en geen bijeenkomsten om nieuwe contacten te leggen. Ik heb nu ook ineens AOW en wat gebroken pensioentjes. Ben ik toch nog ergens terecht gekomen.

 

Blog

On programming style

Of all aspects of programming style, I think readability is by far the most important. Much more important than layout is a higher level of readability, like grouping lines of code not based on what they do, but on what they mean.

 

Read more on Medium

Taalblog

May or might?

Wired tweeted this today:

Screenshot from 2020-06-18 12-42-11

I would have written it like “… with stuff you may already have at home”. “Might” is used in a sentence to express what is “hypothetical, counterfactual or remotely possible”, as I found on this site. If you say “it’s not that hard”, then I don’t assume that it is remotely possible or even hypothetical that I already have the stuff at home. Rather, I would assume that it is possible or factual that I have the stuff at home. Which means, “I may have the stuff at home”. I am surprised that an editor of Wired should make such a mistake.

Last week I read the documentation of the Dutch Corona app on github. It says

Screenshot from 2020-06-18 12-49-48

If you say that validation and tests may lead to changes of the documentation, you refer to a highly probable possibility that you will change the documentation because it is very rare that validation and tests do not lead to changes in the application and in the documentation. When you say “we might add or remove features” you say “it’s almost certain we won’t”. When you say “we may add or remove features” you mean to say “there is an actual possibility we will”.

Today, people use “might” a lot more than “may” when expressing an intent. This means that where we used to have two different ways of expressing an intent, we now only have one. We lost the option of indicating whether our intention (the thing we may/might do) is a real possibility or just a hypothetical one. The reader or the listener will have to infer this from the rest of our sentence or even from following sentences. This makes listening and reading a tad more difficult. Also, removing options from our language makes it less expressive and poorer. Neanderthals had a much less expressive language than we have, so in a way, removing an option or a word from our language brings us one step closer to being Neanderthals.

 

References

Writingexplained.org

 

Taalblog

Meer “die” vs “ie”

 

Ik las daarnet deze column van Erdal Balci in de Volkskrant. De eindredacteur had niet mijn vorige taalblog gelezen want ik lees deze zin: “Voor de duidelijkheid; ik kan het de oermens niet kwalijk nemen dat die zich terugtrok in stammen”. Taalkundig gezien moet dat zijn “dat hij zich terugtrok”.

Daarna lees ik “zo stond die sterker tegen indringers en was het risico op honger lijden kleiner”. “Die” slaat terug op de voorgaande entiteit in de zin, dat zou hier “stammen” zijn, maar dat is meervoud en “stond” is enkelvoud, dus slaat het terug op “die”, wat dan weer terugslaat op “de oermens”. Schrijf dat dan ook, of schrijf weer “hij”. Dan is de zin beter leesbaar en raak je als lezer niet in verwarring:

“Voor de duidelijkheid; ik kan het de oermens niet kwalijk nemen dat hij zich terugtrok in stammen. Zo stond hij sterker tegenover indringers en was het risico op honger lijden kleiner”.

In de tijd van “de oermens” was sexisme of discriminatie geen punt, “zij” telde niet mee. Als je deze twee zinnen zou opschrijven in een column, niet over de oermens maar over de hedendaagse stadsmens, dan wordt dat nog een hele klus. Dan betreden we ook het terrein van Caroline Criado Perez: “de mens” dat zijn we allemaal, maar de term “de mens” vraagt om “hij” in het vervolg van de zin en dan is 51% van de mensen ineens buitengesloten.