Blog

Ik haat led-licht

Gisteren liep ik in de stad, een fietser komt me tegemoet, en ik wordt verblind door een lampje voorop de fiets. Een led-lampje, iets omhoog gericht, ik hou mijn arm voor mijn gezicht om er niet in te hoeven kijken. Dat gebeurt best wel vaak tegenwoordig: fietsverlichting die zo fel is dat je er niet in kunt kijken. De meeste brommers en scooters zijn nog erger, om van auto’s maar te zwijgen. Koplampen die zo fel zijn dat je het idee hebt dat ze een gaatje in je netvlies branden.

Vroeger waren koplampen van auto’s veel groter. Dan zaten er 55 watt gloeilampjes in, het licht werd verspreid met een reflector van 20 of 30 cm en je kon gewoon in de bundel kijken. Nu zijn koplampen kleiner, terwijl de totale hoeveelheid licht die ze uitstralen dezelfde is, of groter. Het probleem daarvan is dat de oppervlakte-helderheid van zo’n kleinere lamp een stuk groter is. Als de doorsnede van de koplamp van 30cm naar 10cm gaat, dan moet de oppervlakte-helderheid, om de totale licht-hoeveelheid hetzelfde te houden, 9 keer groter zijn. Het zou me niet verbazen als moderne ledlampen in auto’s meer licht uitstralen, en dat dus de oppervlakte-helderheid misschien wel twintig keer groter is geworden.

Verblinding komt, in mijn ervaring, meer door te grote oppervlakte-helderheid van een lamp dan door de totale lichthoeveelheid. Als je een grote witte wand wit verlicht zodat er door reflectie net zoveel licht van die wand komt als uit een led-fietslamp, dan wordt je door die witte wand niet verblind, maar door dat fietslampje wel. Immers, in het ene geval wordt het licht verspreid over alle celletjes van je netvlies, terwijl in het tweede geval het licht wordt geconcentreerd op enkele celletjes van je netvlies, die dan overbelast raken.

Ik heb soms migraine, niet vaak gelukkig. Het is oog-migraine, ik krijg geen hoofdpijn maar schitteringen in mijn oog, en vaak zodanig dat ik dan niets meer zie. Tijdig ogen dichtdoen, een paracetamol en stil blijven zitten helpt dan. Mijn vorm van migraine wordt vaak opgewekt door te fel licht. Fel blauwig licht uit een TL buis, of een led-lamp. Alleen als ik moe ben trouwens, of als ik bezig ben ziek te worden of zoiets. Ik heb daarnaast nog een andere aandoening waardoor mijn ogen extra gevoelig zijn voor teveel licht. Ik vind mezelf dus een prima test-persoon voor het beoordelen van verlichting in het verkeer. Ik ben opgeleid als sterrenkundige, ook daardoor weet ik iets van licht, kleuren en ogen.

Een ander verschil tussen led-licht en “gewoon lamplicht” is dat led-licht veel blauwer is, of minder gelig zo je wilt. Blauw licht heeft meer energie dan geel licht, ik weet niet of dat erg is voor je oog, mijn ervaring is wel dat super wit licht, blauwig licht, meer verblindend is.

De Rijksdienst voor het wegverkeer, RDW, heeft regels opgesteld waar verlichting in het verkeer aan moet voldoen. Die regels hebben, voor zover ik heb kunnen vinden, betrekking op de totale hoeveelheid licht die een lamp uitstraalt. Niet op de oppervlakte-helderheid. En dat is dus een probleem. Mensen ervaren dat moderne verlichting in het verkeer te fel is, blijkt ook uit onderzoek van de ANWB.

Ik vind dat de RDW meer onderzoek moet doen naar verlichting in het verkeer en verblinding van verkeersdeelnemers. Onderzoek naar auto-verlichting, maar ook naar fiets- en scooterverlichting. Zodat mensen met migraine niet hun ogen dicht hoeven doen als ze een auto of scooter tegemoet rijden. En zodat je in het algemeen als verkeersdeelnemer niet verblind wordt door auto’s, scooters en fietsers.

Dat onderzoek moet dan leiden tot betere wetgeving op het gebied van voertuigverlichting. En die wetgeving moet dan ook gehandhaafd worden. Gezien het aantal auto’s met verkeerd afgestelde en dus sterk verblindende verlichting heb ik niet de indruk dat er gehandhaafd wordt op voertuigverlichting.

Blog

Vermogensmeter op de fiets

Toen ik vroeger wedstrijden fietste hadden we geen fietscomputers, die bestonden niet, we wisten dus niet hoe hard we precies fietsten of hoe hoog onze hartslag was, laat staan hoeveel vermogen we trapten. In 2010 heb ik een nieuwe fiets gekocht. En een Polar fietscomputer, eentje die stand-alone was, niet gekoppeld aan telefoon, internet of gps. Het was een openbaring. Fietsen terwijl je je hartslag en cadans in de gaten houdt, trainen op hartslag en cadans in plaats van op snelheid op het gevoel. De Polar ging eind vorig jaar stuk (hoewel, ik heb hem inmiddels weer gerepareerd) en toen heb ik een Garmin gekocht, die synced met Strava. Handig dat ik daardoor ook hartslaggegevens e.d. op Strava zie.

In 2019 had ik als freelancer wel een goed jaar en dus besloot ik het serieuze sporten een stapje verder te voeren: ik heb een vermogensmeter gekocht. Achteraf geen goede keuze, financieel gezien, dit jaar heb ik door corona helemaal niet gewerkt.

Als ik iemand zeg dat ik een power meter heb, of als iemand ‘m op mijn fiets ziet, dan zie ik veel mensen wat meewarig kijken, van “een vrouw van 60+ die zo nodig een power meter moet?”. Ik laat ze rustig meewarig kijken. Ik ben wel blij met de power meter. Zo’n meter dient niet om te weten of je 150W of 151W kan trappen. Zo’n meter geeft je met name inzicht of je met je trainingen goed bezig bent. Na iedere rit zegt de Garmin app hoe effectief mijn training is geweest, zowel voor mijn aerobe als de anaerobe conditie.

Het plaatje rechts laat zien dat mijn training voor het aerobe effect heel goed was, maar dat ik anaeroob niets heb gedaan (oranje is “heel goed”, grijs is “duh”). Dat klopt, ik heb rustig gefietst met een paar stukjes stevig doortrappen tegen de wind in.

Deze training was anders: zes intervallen van een minuut zo hard als ik kon en verder niets. Goed voor de anaerobe conditie, en de aerobe conditie lift mee (groen is “goed”).

De derde training was qua anaerobe training ok, maar als aerobe training had ik “overreached”. Te hard getraind, blijkbaar (blauw is “ok”, rood is “wtf?”).

Deze plaatjes geven weer wat ik nuttig vind aan het meten van vermogen en andere parameters tijdens een training: waar ik vroeger op goed gevoel soms intervallen deed, soms een intensieve training en soms wat rustig uitbollen, weet ik nu precies wat het resultaat is van een training en kan ik naarmate ik verder kom steeds beter inschatten hoe ik moet trainen om optimaal effect te hebben. Zo ben ik nu op zoek naar het bovenste plaatje maar dan met links en rechts verwisseld. Of misschien kan dat niet, train je altijd ook aeroob als je internvallen doet.

Is het nuttig, meten en daardoor meer gericht trainen? Dat hangt ervanaf wat je “nuttig” vindt. Als ik mijn hart-long conditie als 60+er op peil wil houden, volstaat het om twee of drie keer per week een klein rondje rustig te fietsen. Als ik “nuttig” definieer als “ik wil de conditie houden/terugkrijgen om te wielrennen”, dan moet ik veel trainen en meten. Als ik “nuttig” definieer als “leuk met mijn sport bezig zijn”, dan geldt hetzelfde. Vroeger fietste ik wedstrijden omdat het heel leuk is, maar ook om de motievatie te houden om te trainen. Als het regent kun je denken “ik ga vandaag niet” maar als je dan zondag een wedstrijd hebt (bij de KNWU moet je als je inschrijft ook verplicht aan de start verschijnen) dan moet je wel trainen, ook als het regent of hagelt. Zo heb ik dat nu ook een beetje. Als ik fietsen vrijblijvend beschouw, dan heb ik al snel dat ik niet ga als het koud is of regent, of als ik nog werk te doen heb, of nog een boek wil uitlezen. Nu ik een trainingsplan voor mezelf heb, voel ik me verplicht om minimaal die 200-250km per week te fietsen, en ook zo te fietsen dat mijn conditie er iets aan heeft. Vandaar dus een fietscomputer met hartslag en cadans e.d. En vandaar een vermogensmeter, zodat ik weet hoe effectief ik train. Waar ik me dan overheen moet zetten is als ik hoor hoeveel vermogen Van de Breggen of Van Vleuten trappen, en hoeveel ik trap. Wat me dan wel weer benieuwd maakt hoeveel vermogen ik trapte toen ik 30 was.

Wielrennen is heel leuk, en heel zwaar. Vroeger vond ik wedstrijden altijd wel gezellig. Met name de trainingswedstrijden op zondagochtend aan het begin van het seizoen, februari en maart, met de hele vereniging, jongens en meisjes, jong en oud, in Weesp anderhalf uur rondjes fietsen op een hobbelig klinkerparcours. “Gezellig” klinkt paradoxaal. Als je het zwart voor je ogen fietst en je benen zeer doen en je geen lucht meer krijgt, dan denk je wel ‘s “waarom in vredesnaam doe ik dit?” maar als je afstapt en wat bent bijgekomen dan denk je “dat was cool!”.

Soms kriebelt het. Dan denk ik “ik zou best weer ‘s een wedstrijd willen rijden”. Ik las dat Tim Krabbé (die was er die zondagochtenden ook altijd bij) 60+ wedstrijden reed, maar die zijn er niet voor vrouwen. De zondagochtenden wordt er in Weesp ook niet meer gefietst, de vereniging bestaat niet meer en het industrieterreintje waar we fietsten is nu actief in gebruik, daar kun je niet meer fietsen. Nu ben ik lid van de Fietsbelles, dan fietsen we op dinsdagavonden een rondje door de polder.

Maar het blijft kriebelen….

Blog

Ik wil een kleine high-end telefoon

De fijnste telefoon die ik heb gehad was de HTC Magic. Ik had de developer versie daarvan, de Ion. Hij was klein, had een snelle cpu (voor die tijd dan) en een goed scherm. Prima telefoon. Hij was klein, glad, afgeronde hoeken, je kon ‘m makkelijk in je hand houden of in je zak steken. Het was ook de high-end Android telefoon van HTC.

Vandaag de dag kun je zulke telefoons niet meer kopen. Je hebt voor een Android telefoon de keuze tussen een high-end telefoon, die heel groot is, of een kleine telefoon, die dan een trage cpu heeft en weinig geheugen. Of althans, ik kan zo’n telefoon niet vinden. De beste die ik nu heb gevonden is de Pixel 4, die heeft goede specificaties en is relatief klein, maar wel twee keer zo groot als de Ion.

Waarom kan ik niet een telefoon kopen die zo klein en handzaam is als de Magic/Ion, maar wel met de snelste cpu die bestaat, en een machine learning chip erin, en een scherm met hoge resolutie? En met 5G? Is het echt zo dat mensen die een goede telefoon willen, dan ook per se een grote telefoon willen?

Lieve telefoon-fabrikanten, maak eens een kleine snelle telefoon. Je doet er veel mensen een plezier mee.

Agile

Agile werken zonder vergaderen en zonder regels

Agile betekent “slagvaardig” of “lenig” of “flexibel”, of zelfs “wendbaar”. Het kan een heleboel betekenen. Wat het volgens mij in ieder geval niet betekent is “veel vergaderen” of “strenge regels en richtlijnen” en al helemaal geen “checklists”.

Ter illustratie heb ik een stukje geschreven over hoe je een agile project kunt starten, met een Project Startup Hackathon. Daarnaast heb ik een blogje geschreven met tien tips voor de agile manager.

Nog meer ideeën en gedachten over Agile werken en Agile project management heb ik opgeschreven in mijn boek Agile zoals het bedoeld is. Ik vind dat voorschriften en regels niet goed bij Agile passen. Ik vind eigenlijk dat het schrijven van een boek over Agile een paradox is. Vandaar dat je in mijn boek geen schema’s vind, geen voorschriften of regels, maar alleen ideeën en anekdotes. Zoals het hoofdstuk “Een weekendje naar Parijs”.

Agile, Programming

Nieuwe features in software: hoe beslis je welke je bouwt? #Agile

Nichtje had zichzelf getekend in de brief

Ik heb een site gebouwd, en ik bouw daar nog aan, waarin ik de brieven van de familie Schwartze archiveer en documenteer. Vooralsnog ben ik zelf de enige gebruiker van de site. Ik had kunnen beginnen met een site en een API en een database met alle functionaliteit die ik kon bedenken. Dat was veel werk, en dan had ik in de loop van de tijd veel moeten veranderen wegens voortschrijdend inzicht.

Dus ben ik minimaal begonnen: met alleen een database waarin ik data heb ingevoerd met SQL. Die database heb ik geconverteerd naar een netjes gestructureerde database, op basis van wat ik inmiddels over de content had geleerd. Toen wilde ik een overzicht van alle brieven, dat heb ik gemaakt met ReactJS. Brieven hebben afzenders en ontvangers, die wil ik documenteren, dus heb ik daar features voor gemaakt. Minimalistisch, maar wel functioneel.

Nu ben ik in het stadium dat ik de toekomstige bezoekers van mijn site in het vizier heb, en ik kan allerlei functies en features bedenken die ze misschien handig vinden. Maar dan ben ik daarmee maanden aan het programmeren terwijl ik ook de content nog compleet moet maken. Ik kan ook niets meer bijprogrammeren en me concentreren op de content, maar dan maak ik steeds meer work-arounds wegens missende features. Wat ik dus doe is het volgende: iedere keer als ik een nieuwe feature bedenk, dan programmeer ik die niet, maar verzin een work-around met de bestaande software. Pas als ik voor de derde keer die feature zou willen gebruiken, bouw ik ‘m erbij. Dan weet ik inmiddels ook meer in detail wat die feature moet doen.

Als voorbeeld: een brief heeft één afzender, degene die de brief schrijft. Maar soms is er een briefje van tante waar een nichtje een velletje heeft bijgevoegd: dan zijn er twee afzenders. Dat hoeft niet per se zichtbaar te zijn in de database, als tante de afzender is, is het duidelijk genoeg. Totdat ik voor de derde keer twee brieven in één envelop had, toen heb ik alles zo gemaakt dat je meerdere afzenders kunt hebben voor één brief. Hetzelfde gebeurde voor de ontvangers: tante schrijft een brief aan de drie nichtjes.

Ik wilde kunnen zoeken in de brieven, dus heb ik met Apache Lucene een zoekfunctie gemaakt op de content van de brieven. Wat ik nog niet heb is een zoekfunctie op afzenders of ontvangers in de database. Ik blader alfabetisch door de brieven om iemand te zoeken. Dat wordt nu hinderlijk, dus ik ben nu op het punt een zoekfunctie te maken voor afzenders en ontvangers en locaties en dergelijke.

Ik werk dus efficient: ik besteed minimale tijd aan het bouwen van de web site en de API en wat daarbij hoort zodat ik maximaal tijd heb voor de inhoud, waar het tenslotte om gaat. Als ik inhoud af is, en ik er een boek over heb geschreven, dan heb ik tijd om de features toe te voegen die ik zelf nu niet nodig heb maar die voor bezoekers van de site handig zijn. Zodat als het boek verschijnt, ook de site optimaal is.

Deze aanpak klinkt simplistisch, maar ik denk wel dat je ieder project zo zou moeten doen. Je verzint met z’n allen de absolute bare bones structuur van je applicatie of web site, en je bouwt dat. Dan gaan gebruikers aan de slag en pas als ze een feature echt missen, dan bouw je die erbij. Je backlog krijgt dus een extra column: “aantal verzoeken”. Pas als tien gebruikers een feature in de praktijk node missen, bouw je die erbij. Niet met toeters en bellen, maar alleen de minimale feature waar gebruikers of klanten om hebben gevraagd. Is er dan een toeter of een bel die ze nog missen, dan gaan ze vanzelf piepen en bouw je de toeter of bel erbij.