Blog

Hoe de Parijse Commune Thérèse Schwartze heeft geholpen

Ets van Maxime Lalanne

In 1870/71 vond in Parijs de opstand plaats van de Commune van Parijs. De opstand werd na twee maanden neergeslagen door het Franse leger en de communards moesten vluchten. Eén van die communards was Henry Havard. Havard werd ter dood veroordeeld en vluchtte naar Nederland. Hij is onder andere bekend geworden vanwege een boek dat hij hier heeft geschreven over Delfts aardewerk: Histoire de la faïence de Delft (Henri Havard, 1878). Ook heeft hij toen het boekje geschreven La Hollande À Vol d’Oiseau (Holland in vogelvlucht), met mooie etsen van Maxime Lalanne.

Havard moet tijdens zijn verblijf in ons land Mr Anton van Duyl hebben ontmoet, de latere echtgenoot van Schwartze. Havard kon terugkeren naar Parijs, waar hij als kunstcriticus en adviseur van de overheid ging werken. Zie deze brief van Havard aan Van Duyl, met het briefhoofd van het Ministerie van Onderwijs en Kunst. Toen Schwartze zich ontwikkelde als schilderes en met name werd beïnvloed door Duitse schilders, zei Van Duyl haar dat ze ook naar Parijs moest om daar met Franse schilders te werken en via zijn vriend Havard regelde hij dat Schwartze naar Parijs ging. Ze is daar meerdere keren een periode geweest, en heeft zich daar verder ontwikkeld tot de portretschilderes die in Amsterdam zoveel succes had.

Dat Van Duyl en Havard goed bevriend waren blijkt uit deze brief van Havard aan Van Duyl, een lange brief, waarin hij refereert aan “votre chère et glorieuse Thérèse”. We zien dat de vriendschap tussen de voormalige communard Havard en hoofdredacteur van het Handelsblad Van Duyl veel heeft betekent voor Schwartze’s carrière.

Blog

“Jij moet naar de MTS”

Op de lagere school (dat heet nu “basisschool”) kreeg ik een beroepskeuzetest. Ik weet niet waarom, alle kinderen kregen dat, maar je bent dan natuurlijk veel te jong voor beroepskeuze. Ik denk dat ze bedoelden dat het een test was naar welk vervolgonderwijs je moest.

Ik deed wat testjes, het was een individuele test, niet klassikaal, en al snel begon de psychologe (of wat ze ook was) mij uit te leggen dat er naast het lager onderwijs/middelbaar onderwijs/hoger onderwijs ook technisch onderwijs was: de LTS, de MTS en de HTS. Ik was zo “technisch”, ik moest naar het technisch onderwijs. Mijn ouders waren wijzer, ik ging gewoon naar het gymnasium, en later ben ik afgestudeerd in de sterrenkunde. Het was niet bij de test-mevrouw opgekomen dat een kind heel technisch begaafd kan zijn maar ook slim genoeg is om natuur- en sterrenkunde te studeren.

Ik was wel “technisch”. Al heel jong had ik een klein schroevedraaiertje geconfisqueerd uit de gereedschapskist van mijn vader, en ik schroefde alles waar een schroefje in zat uit elkaar. Toendertijd zaten alle apparaten in elkaar geschroefd, tegenwoordig wordt het gelijmd en geklikt en is er voor een kind niets meer te onderzoeken. Wekkers moest je opwinden, ik had een doos vol mooie koperen tandwieltjes en mijn ouders moesten regelmatig een nieuwe wekker kopen. Ik heb dat altijd gedaan, ik schroef nog steeds graag dingen uit elkaar.

In mijn werk in de IT heb ik geen schroevedraaier nodig, anders dan bij onderhoud aan mijn eigen computer of laptop. Dankzij dat kleine schroevedraaiertje van vroeger ben ik nu niet bang een gloednieuwe laptop eerst open te schroeven en componenten te vervangen voordat ik ‘m voor het eerst aanzet om linux te installeren.

Ik ben software ontwikkelaar. Ik ben als programmeur begonnen bij een bank, ik was daar al snel projectleider van een innovatieproject, daarna ben ik een business unit AI begonnen bij een softwarebedrijf, ik deed de verkoop en het management, daarna werd ik consultant bij BSO en deed ik een groot project voor de directie van Aegon. Vanuit de AI kwam ik in het kennis management, ik deed een project bij de kennis-organisatie Kema, wat uitmondde in dat ik een hoofdstuk heb geschreven in het Kema jaarverslag van 1994 met de titel “Kennis op de balans”. Ik had voor de directie de waarde van de kennis van Kema uitgerekend en die waarde vergeleken met de financiële balans.

Daarna kwam ik terug in meer hands on IT werk, toen ik PayMate oprichtte in 1995. PayMate faciliteerde online betalingen voor webshops, inclusief 2-factor authenticatie. Maar niemand wilde dat, het bedrijf was geen lang leven beschoren.

Inmiddels werk ik meestal freelance. En daar merk ik dat het een probleem is als je meerdere zeer uiteenlopende vaardigheden hebt. Ik wordt gespot door een recruiter als android developer, en die is dan teleurgesteld als ik op mijn cv ook andere dingen heb staan dan android development. “Kun je al die niet-android dingen niet weglaten?”. En als er een klus is op een ander gebied is het al snel “je ervaring is te breed, je hebt te weinig referenties op gebied X”. Ja, dat klopt. Dat vond die test-mevrouw ook al: als je A kunt, mag je niet ook B kunnen.

Soms roei ik tegen de stroom in en dan zit ik in een project voor software development maar bemoei ik me ook met de marketing en met de sales en heb ik contact met klanten om ze te helpen en te horen wat ze van ons product verwachten. Dat gaat niet altijd goed. “Maar jij bent developer, jij moet alleen software maken”. Ik hoor weer de test-mevrouw praten.

In mijn hart zou ik het allemaal het liefst weer zelf doen, als ondernemer, met een team van slimme veelzijdige developers die ik niet hoef te vertellen wat ze moeten doen. Wat te doen? Er zijn er ideeën genoeg, er is immers genoeg te doen in de wereld.